door Jacob Westendorp
Omdat het dorp Valthermond zich op het voormalige veenmoeras van de Valthermarke heeft gevormd, vindt u hierbij een verhaal over het ontstaan en de teloorgang van de markenorganisatie, die gedurende vele eeuwen het bestuur van de dorpsgemeenschappen in Drenthe – evenals ook elders – heeft bepaald. We kunnen ver in de geschiedenis teruggaan, want het ontstaan van boermarken (meestal enkel ‘marken’ genoemd) kan in feite worden gezocht in de tijd toen de Germanen zich op vaste plaatsen vestigden. Het was de overgang van het nomadenvolk (jagen, vissen en voedsel verzamelen) naar een volk dat akkerbouw uitoefende. Het door een stam in bezit genomen gebied door alle leden van de stam gemeenschappelijk te laten gebruiken, is eigenlijk de oervorm van een marke. Het woord betekende oorspronkelijk ‘grens’. De markegronden vormden een begrensd gebied dat bij een nederzetting – veelal zo’n tien tot vijftien boerenhoeven – hoorde. Zo’n gebied werd eveneens met de naam ‘marke’ aangeduid.
Vrije marken
In Drenthe kennen we van oudsher de zogenoemde vrije marken. Dat wil zeggen dat er hier in de provincie geen sprake was van één grootgrondbezitter, maar van eigenaren die ongeveer of geheel gelijke rechten hadden: de markegenoten. Dat waren oorspronkelijk de vrije, eigenerfde boeren, dus boeren die een eigen erf hadden. De meiers (pachtboeren) en de keuters (kleine boeren die dikwijls tevens arbeider waren) behoorden niet tot de markegenoten. Men neemt aan dat de marken in Drenthe in de twaalfde en dertiende eeuw duidelijk vorm en organisatie kregen. Er waren genoeg redenen waarom boeren zich niet afzonderlijk ergens vestigden, maar dat in gemeenschappen van een aantal hoeven deden. Samen kon men zich beter tegen indringers verdedigen en men kon voor diverse zaken burenhulp krijgen.
Zo ontstond de constructie dat rondom de verzameling boerderijen – ook wel buurschap of dorp genoemd – de esgronden werden geëxploiteerd. In deze essen kreeg elke boer een bepaald stuk land aangewezen, dat dan zijn eigendom was. Buiten de es lagen de woeste gronden, te weten heide, veen, bos en water, die als gemeenschappelijk eigendom van de gemeenschap werden beschouwd. Toen nu door bevolkingstoename in de twaalfde en dertiende eeuw het aantal boerderijen vermeerderde en dus ook het gebruik van de woeste grond groter werd, ontstond er verzet.
Belangrijke grond
Die omringende woeste grond was belangrijk. In de eerste plaatsvoor de schapenhouderij. Schapen werden niet alleen gehouden voor de wol en voor het vlees, maar vooral voor de mest. Verder was de jacht belangrijk, het hout uit de bossen, de turf voor huisbrand, de heide voor borstels en dakbedekking, de veldstenen voor wegverharding, het leem als vloerbedekking (en oorspronkelijk ook voor de zijwanden van de boerderijen) en bovendien was er terrein voor verdere ontginning aanwezig. Wanneer zich nu te veel boeren in de gemeenschap vestigden, werden de gebruiksmogelijkheden van de woeste gronden per boerderij steeds geringer. Het is met deze achtergrond dat de marken tot stand zijn gekomen.
Het systeem werd ontwikkeld dat aan iedere boerderij – onafhankelijk van de grootte – één zogenoemd waardeel werd toegekend. Een waardeel betekende het eigendom van de boerderij en een stuk land op de es en verder het gebruiksrecht op de gemeenschappelijke gronden rondom de es en op de wegen, de zogeheten boerwegen. Hiertegenover stond de plicht om mede te werken deze wegen te onderhouden. Een waardeel is voor wat betreft de gemeenschappelijke grond dus te vergelijken met een aandeel in een naamloze vennootschap. Wilde een nieuwe boer zich in de gemeenschap vestigen, dan kreeg hij geen waardeel, dus geen gebruiksrecht op de gemeenschappelijke grond. Het markesysteem diende dus in de eerste instantie als zelfbescherming van de gevestigde boeren.
Het waardeel was gebonden aan de boerderij en het perceel land op de es. Nieuwe waardelen werden later – uitzonderingen daargelaten – niet meer uitgegeven.
Willekeuren
De marke werd echter meer. In de middeleeuwen behoorde Drenthe bij het bisdom Utrecht en de bisschop was dus de hoogste gezagsdrager. In het jaar 1412 werd door de bisschop (dat was toen Frederik van Blankenheim) aan de marken het recht verleend zelf willekeuren te maken. Een willekeur kan men omschrijven als een verordening, een reglement, dus een geheel van rechtsregels, dat min of meer te vergelijken is met een gemeentelijke verordening. Deze willekeuren zijn in de loop der tijden herhaaldelijk gewijzigd. Verder bracht de markeorganisatie met zich mee dat er nog andere taken voor de gemeenschap moesten worden verricht. De marke is op den duur uitgegroeid tot het apparaat dat het dorp bestuurde en de dorpsbelangen behartigde.
Het systeem van één waardeel per boerderij/perceel esgrond was eenvoudig en werkte in de aanvang goed. Op den duur ontstonden echter allerlei complicaties. Door vererving werden percelen gesplitst, zodat ook de waardelen werden gesplitst, in halve, kwart en achtste waardelen (en in nog andere breuken!). Percelen werden samengevoegd en als ze niet vruchtbaar genoeg meer waren, werden ze verlaten. Boerderijen verdwenen (denk aan de vele branden in het verleden) en werden al dan niet op een andere plaats weer opgebouwd. Percelen werden verkocht en verpacht. Bij verpachting kreeg meestal de pachter (toentertijd meijer geheten) wel ongeveer dezelfde rechten als de eigenaar had, maar de eigenaar bleef formeel de waardeelhouder. Door al deze complicaties was het op den duur vaak moeilijk vast te stellen wie nu eigenlijk de waardeelhouders waren en hoeveel waardelen of gedeelten daarvan zij bezaten. Dit moest zo nu en dan weer eens worden vastgesteld. Het is te begrijpen dat dan de nodige ruzies en onenigheden ontstonden! Door al die complicaties kwam het waardeel hoe langer hoe losser van de oorspronkelijke grond te staan. Het werd als het ware een apart vermogensbestanddeel dat los van het oorspronkelijke land overdraagbaar werd. In verschillende gevallen heeft het hoogste rechtscollege in Drenthe – dat was toen de etstoel – deze mogelijkheden erkend.
Vrijheid
De marken hebben vele eeuwen gefunctioneerd. Toch gingen er al in de achttiende eeuw stemmen op die het markesysteem wilden beëindigen. Men voelde zich te veel bekneld in het gemeenschappelijke eigendom, waardoor het ontplooien van eigen initiatieven onmogelijk was. De grote drang tot verdeling van het markebezit kwam in de Franse Tijd. Het woord ‘vrijheid’ werd een toverwoord. Het gemeenschappelijke eigendom werd als ouderwets ervaren, het hield de vooruitgang tegen. Men was wel geneigd om zo veel mogelijk uit het gemeenschappelijke eigendom te halen, maar niet altijd bereid er iets voor te doen. Deze en dergelijke kreten hadden tot gevolg dat de markeverdeling op gang kwam. Of de innerlijke noodzaak tot verdeling van de gronden nu werkelijk zo groot was, valt te betwijfelen.
Enkele wettelijke bepalingen van 1809 en 1810 maakten het verdelen wat gemakkelijker. Een ander gevolg van de Franse Tijd was het tot stand komen van gemeenten die grotere eenheden werden dan de afzonderlijke dorpen of buurschappen en waardoor veelal meerdere marken tot één gebied werden samengevoegd. De marken van Odoorn, Exloo en Valthe, behorend tot de kerspel (kerkgemeente) Oderen vormden toen de gemeente Odoorn. De gemeentevorming was vooral van invloed op de bestuursbevoegdheid van de marken. Werden voordien vele zaken in de marke geregeld, naderhand werd het de taak van de gemeente. Ook na de Franse Tijd hield de aandrang aan om de marken te verdelen. In 1840 werd een wet aangenomen waardoor de scheiding gemakkelijker werd gemaakt en waarmee tevens enkele fiscale faciliteiten werden gegeven.
Kort daarop werd in 1841 op last van de gouverneur van Drenthe een ‘Handleiding tot de verdeling van de marke gronden’ uitgegeven. De verdeling kwam nu inderdaad snel op gang. Het laatste bedrijf was de Markenwet van 1886. Het werd nu nog gemakkelijker een marke te scheiden: wanneer slechts één waardeelhouder dat wenste, moest tot verdeling worden overgegaan.
(wordt vervolgd)