![]() |
Geen geld meer
Nadat de barre winter van 1916-1917, die lang en streng was, begin maart schoorvoetend plaats ging maken voor het naderende voorjaar waren velen opgelucht. Spoedig zou men weer in het veen aan de slag kunnen. De behoefte aan werk en dus inkomen was groot. Veel arbeiders hadden geen geld meer om zelfs het aller-noodzakelijkste te kunnen kopen. Ook op krediet kopen, wat toentertijd heel gebruikelijk was, werd steeds moeilijker. De winkeliers wilden amper meer borgen, omdat de schulden onder klanten al enorm hoog waren opgelopen en zodoende het aflossen ervan wel eens grote problemen zou kunnen opleveren. De veenarbeiders zagen er dan ook verlangend naar uit om weer aan het werk te kunnen op de diverse veenplaatsen.
Het werd een flink drogend voorjaar. Rond april was men op verschillende veenderijen al begonnen met de voorbereidende werkzaamheden rond de veenputten. Maar in plaats van dat men de schop eens flink in het veen kon gaan zetten, brak er een arbeidsconflict uit. Er ontstond een grote loonstrijd in het gehele veengebied van Zuid-Oost-Drenthe, vanaf de monden tot aan Zwartemeer. Men kon maar niet tot een akkoord komen.
Redelijke verhoging
Ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog was de turfproductie flink opgevoerd en de verveners profiteerden hier enorm van. Doordat de prijzen van de veenproducten omhoog waren geschoten, werden er door de verveners flinke winsten gemaakt. Dat de arbeiders hiervan wilden meeprofiteren, was duidelijk en de veenbazen boden dan ook wel een redelijke verhoging. Maar de arbeidersorganisaties waren ervan overtuigd dat in verhouding tot de winsten die de verveners maakten een nóg hogere loonstijging kon worden bereikt. De verveners hielden echter voet bij stuk. Zij waren ervan overtuigd dat de opleving van de turfproductie tijdelijk zou zijn en dat zodoende de lonen binnen enkele jaren weer fors zouden moeten worden verlaagd.
Daarbij kwam ook nog eens dat de kwaliteit van het werk, de turf, flink terugliep doordat steeds meer prutsers aan het arbeidsproces in het veen deelnamen. Veel flinke arbeiders waren hier in verband met de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd en hun plaats werd ingenomen door kloetjebakkers, zoals deze werkers al gauw door de ervaren veenarbeiders werden genoemd.
Het gevolg van het arbeidsconflict was dat een akkoord maar uitbleef. Veel arbeiders wilden maar al te graag aan de slag, maar door de enorme druk van de actieleiders en een aantal fanatieke stakers durfde vrijwel niemand op het veen aan de arbeid te gaan.
Minister
In die laatste dagen stuurde het ministerie van Economische Zaken zelfs zijn minister IJzelstein naar het veengebied om in het arbeidsconflict te bemiddelen. De heer IJzelstein verscheen eveneens in de Valthermond. In gezelschap van de burgemeesters van Emmen en Odoorn probeerde hij de partijen, die in Hotel Schuringa in overleg bijeen waren, te verzoenen. Ook de minister wist echter geen akkoord te bereiken.
De baggeraars en de droogmakers wilden de aangeboden loontarieven wel accepteren, maar de turfgravers bleven in hun eisen volharden. Minister IJzelstein meende daarop de oplossing wel te kunnen aandragen. Mede omdat de tijd drong – een deel van de campagne was al verloren – stelde hij voor het turfdijken, baggeren en droogmaken te laten doorgaan en het graven van de turf tot het volgend jaar uit te stellen. Waarschijnlijk dacht de minister zo een aanvaardbare oplossing te bewerkstelligen, maar dat was een grote vergissing.
De verveners en de vertegenwoordigers van de veenarbeiders zagen elkaar ontzet aan. Het zou niet eens kúnnen. Wat de heer IJzelstein voorstelde, was ja onmogelijk. De te vergraven turf zat namelijk boven op het te baggeren veen. Werd er geen turf gegraven, dan konden de andere genoemde werkzaamheden evenmin doorgang vinden. Er was dan geen turf om te dijken, er kwam geen veen bloot om te baggeren en het droogmaken was een onmogelijkheid geworden. Door ’s mans ondeskundigheid kreeg de minister hier de naam Ezelstein, want zoiets ezelachtigs hadden de veenarbeiders nog nooit gehoord. Hoe kon een geleerd iemand uit Den Haag zoiets voorstellen! Maar ook zonder de bemoeiing van minister IJzelstein kwam men begin mei eindelijk tot een akkoord. De arbeiders gingen volop aan de slag. Met extra lange werkdagen zou de schade nog enigszins kunnen worden beperkt. Na een barre winter en een langdurige loonstrijd kwam er tenslotte weer geld in de knip.
Brand
Toen men nog maar enkele dagen volop bezig was met het veenwerk brak er in de groenstukken, nabij het voormalige Valtherdiep en ter hoogte van de nieuwe ossenbrug die daar toen gelegen was, brand uit. Dat was globaal ten zuiden van de Valtherdijk, ter hoogte van boerenplaats no. 60. Gelukkig wist men deze brand te blussen en leek het vuur onder de as gedoofd. Maar men was gewaarschuwd en voorzichtigheid bleef geboden. Het droge voorjaar maakte dat men voorzichtig moest zijn met vuur en vonken op het droge bovenveen. Het veendek werd de eerste dagen na de brand goed in de gaten gehouden door de verveners. Onder de as kon het vuur immers toch nog smeulen en dan plotseling alsnog weer uitbreken. Ook op zondagen liepen de brandwachten door het bewuste veengebied, maar er viel niets verontrustends waar te nemen. Het leek goed afgelopen te zijn.
(wordt vervolgd)