![]() |
Hoe vierden de mensen in de negentiende eeuw in de Valthermond kerst? Aan de hand van een veenarbeidersgezin van Duitse afkomst, dat aan de Koaterloane (tegenwoordig de Markeweg geheten) woonde en de katholieke godsdienst aanhing, zal de schrijver dezes pogen een beschrijving te geven van de gebruiken van dit gezin in de kerstperiode.
Duitsers
In ons gebied waren vanaf ongeveer 1830-1840 nogal wat Duitsers komen wonen. Die kwamen merendeels uit de aansluitende grensstreek en vestigden zich hier als boekweitboertjes en veenarbeiders. De Duitsers vestigden zich vooral op de zandruggen, zoals de Horsten, Kopstukken, Braamberg, Zandberg, de Schaalberg en op het bovenveen in de omgeving daarvan; de boekweitgronden en stukken groenland huurden ze van de veeneigenaren.
Voor kerkbezoek was men aanvankelijk op het Duitse Rütenbrock aangewezen, maar in 1843 lukte het de Duitse katholieke gemeenschap hier op de Zandberg een kerk gerealiseerd te krijgen, waardoor men voor hun godsdienstoefening niet meer uren over meestentijds zeer slechte en modderige wegen hoefde te lopen. Voor het gezin dat hier wordt beschreven, was het geloof met zijn gebruiken daaromtrent van groot belang. De zondagse mis in de kerk op de Zandberg werd bij goede gezondheid wekelijks bezocht. De kerkelijke hoogtijdagen waren van uitzonderlijke waarde, niet alleen de kerkdiensten, maar eveneens de gebruiken die daarbij hoorden. Vooral Kerstmis en Pasen behoorden tot de meest aansprekende hoogtijdagen.
Lei aan de gevel
Rond 1870 begon voor ons gezin de Kerstperiode met de eerste adventszondag. Op de zaterdag daaraan voorafgaand hing de moeder een lei aan de buitengevel, bij de toegangsdeur van hun woning. Op die lei stond een aantal streepjes, even veel als het aantal dagen tot de kerst; voor de zondagen had zij boven de betreffende streepjes een ster getekend. De kinderen mochten elke morgen om beurten een streepje wegwissen en kregen dan een walnoot van hun moeder. Die moest echter wel in een schaaltje worden bewaard tot de daarop volgende zondag. Na de zondagse mis in de kerk op de Zandberg wilden de kinderen dus zo snel mogelijk naar huis. Ongeduldig wachtten ze op hun ouders, die zoals gewoonlijk, na de dienst voor de kerk nog nieuwtjes uitwisselden met bekenden. Gehaast liepen voor hun ouders uit over de zandweg door de Valthermussel naar de Kroaterloan, zo’n half uur gaans. Dat de kinderen gehaast en opgewonden waren, spreekt natuurlijk voor zichzelf: de noten mochten ja worden genuttigd! Een heerlijke traktatie was dat, een bijzonderheid waarop ze zich de hele week al hadden verheugd. Tijdens het koffiedrinken kraakte vader voor hen de noten, heel eenvoudig: twee noten tegen elkaar in de vuist en dan stevig aanknijpen. Lukte dat een keer niet, dan ging de noot tussen de deur en het kozijn en werd de noot door het sluiten van de deur gekraakt.
Kerststalletje
Op de eerste adventszondag werd eveneens het simpele kerststalletje op een kistje in de woonkamer gezet. Dat werd de daarop volgende zondagen gevuld met eenvoudige, zelf gesneden dieren en mensen. Het kribje met het kindeke Jezus werd op Kerstavond als laatste in het stalletje geplaatst. Het bleef tot en met Driekoningen in de huiskamer staan. Een kerstboom kwam in ons gebied pas rond de Eerste Wereldoorlog in gebruik, maar voor katholieke gezinnen was en is de kerststal nog altijd het belangrijkste kerstsymbool.
In de adventstijd bliezen jonge knapen op de vroege zaterdagavond rond zonsondergang op de adventshoorn, om zo de parochianen op te roepen voor de adventsmis van de volgende dag. De hoorn was veelal gemaakt uit een stuk berkenhout en had een lengte van ongeveer een halve meter; hij produceerde een eentonig, doordringend geluid. Vooral als er meerdere jongens tegelijk bliezen, ging het geluid ervan door merg en been. Het hoornblazen werd aan het einde van de negentiende eeuw al vrijwel niet meer gedaan.
Op Eerste Kerstdag ging men – veelal alleen de volwassenen – naar de Kerstnachtmis, die ’s morgens om vier uur begon. Sommige voor de gelovigen zeer bekende kerstliederen werden nog vaak in het Duits gezongen, zoals onder andere het ‘Jubel Erde, jubel Völkern’. Dit lied staat ook nu nog elk jaar op het kerstrepertoire van de kerk in Zandberg, maar dan in het Nederlands. Na de nachtmis toog men weer huiswaarts, waar, nadat het vee was verzorgd, een uitgebreide broodmaaltijd werd genuttigd; op deze dagen was er ook krentenbrood, of Weihnachtsstol. Daarna maakte men zich al gauw weer gereed voor de kerkgang: om tien uur stond de plechtige hoogmis op het programma. Nu gingen ook de kinderen mee naar de kerk. Tijdens deze kerkdiensten was de kerk afgeladen vol; velen konden dan ook geen zitplaats bemachtigen.
Eten en drinken
Na de hoogmis ging men weer naar huis voor de koffie, met daarbij de zogenoemde Weihnachtskoeken (een soort zoete speculaaskoek) en een glaasje. De kinderen hadden chocolademelk en kregen nog enkele noten. En dan was het tijd voor de maaltijd. Voor zover het mogelijk was, werd ook in de arbeidersgezinnen extra aandacht aan de kerstmaaltijd besteed. Bij de Duitse katholieke gezinnen was het gebruikelijk – een traditie van huis meegenomen – om met de kerst naast de soep, aardappelen en groente ook vis op tafel te zetten. Was het in Duitsland gebruik om daarvoor een karper te bereiden, hier werd meestal een snoek geserveerd; die had men dikwijls zelf gevangen of bij een plaatselijke visser gekocht.
Na de maaltijd werd het al gauw weer tijd voor de vesperdienst, die rond vieren werd gehouden. ’s Avonds werden er meestal bordspelletjes gedaan en werd er veel gezongen. De Eerste Kerstdag was een echt huiselijke gebeurtenis. Tweede Kerstdag was meer een uitgaansdag; men ging op visite of ontving gasten. Ook waren er op diverse plaatsen toneeluitvoeringen, met bal.
Met kerst werd de dan leeg gewiste lei niet van de buitengevel van de woning verwijderd, maar schreef moeder er drie sierlijke letters op: ‘C.M.B.’, met daaronder het jaartal van het komende jaar. De letters waren afkomstig van een zeer waardevolle Latijnse tekst, die vrij vertaald ‘Christus, bewaar dit huis’ betekent. Het jaartal stond dus voor het nieuwe, nog maagdelijke jaar. Pas na Driekoningen werd de lei verwijderd en opgeborgen. De kerstperiode – onderwijl hadden we de gebruiken van Oud- en Nieuwjaar ook al gehad – werd op 6 januari afgesloten met Driekoningen. In de ochtend vond in de kerk de Driekoningsmis plaats.
Driekoningszingen
De kinderen zagen dan echter meer naar de avond uit. Op Driekoningen gingen de katholieke kinderen in de vroege avond Driekoningszingwen. Ze gingen daarbij langs de deuren in hun woonomgeving en zongen Driekoningsliedjes, zoals:
’t Was op een Driekoningsavond
En het was op z’n heilige dag
Dat de heilige Maria Magdalena
Aan de voeten van Jezus lag.
Meestal hadden de kinderen bij het Driekoningszingen een papieren kroon op het hoofd en hielden een stok met aan het einde een ster in de hand. De kinderen werden na het zingen beloond met koek, snoep of soms een halve cent. Dit katholieke gebruik in een meest protestante omgeving heeft in de veenkoloniën geen opgang gevonden. Het vond in de jaren tachtig van de negentiende eeuw al vrijwel niet meer plaats. Dit waarschijnlijk mede doordat er op 1 januari ook al ‘Nieuwjaar werd gelopen’, een gebruik dat algemeen meer in zwang was.