![]() |
Vooral vanaf het begin van de jaren tachtig van de negentiende eeuw nam de smokkel van sterke drank, zoals rum, cognac en vooral de foezel of spruit, een enorme vlucht. Hier in de grensstreek maakte vrijwel iedereen gebruik van de illegaal over de ‘grup’ gehaalde spiritus. In de Duitse grensstreek waren veel boeren actief als schnapsbrander. Veel van de door hun gedestilleerde alcohol werd door smokkelaars – hier ook wel ‘sluikers’ genoemd – naar ons gebied gehaald.
Ook particulieren
Het waren niet alleen caféhouders die de drank afnamen. Ook particulieren kochten flink foezel in. Vooral in de decembermaand haalden velen volop drank in huis; een voorraad van tien tot twintig liter was zeker geen zeldzaamheid. Door de grote winterwerkloosheid en zodoende een gemis aan (noodzakelijk) inkomen was het dan ook zeer aanlokkelijk om zich met deze verboden activiteit bezig te houden. De geweldige opleving van de dranksmokkel in het begin van die jaren tachtig werd mede veroorzaakt doordat van overheidswege maatregelen waren genomen in verband met het al lange tijd hoge alcoholgebruik, waardoor er veel misstand en ellende bestond. De drankwet van 1881 van minister Modderman verplichtte de gemeenten tot uitgifte van minder vergunningen en strengere controles.
Het negatieve gevolg daarvan was dat de clandestiene verkoop en inkoop van drank sterk toenamen. Voor veel mensen – en dat gold zeer zeker in de veenkoloniën – waren tabak en drank noodzakelijker artikelen dan voedsel. Een veel gehoord spreekwoord in die dagen was dan ook ‘Tabak en jenever mouten d’r wezen en as ’t ken nog ain stuk brood’. De grensbewaking werd dan ook sterk opgevoerd en ook op een tweede linie vanaf de grens werden commiezen gestationeerd. Zodoende werden er in de loop van de jaren tachtig ook vier commiezen in Valthermond ondergebracht.
Slinkse paadjes
Langs allerlei slinkse paadjes en wildwissels trokken de smokkelaars in het nachtelijk duister over de grens. Op alle mogelijke manieren probeerde men de grensbewakers te ontlopen en te misleiden. Men werkte merendeels in groepjes en één was de zogenoemde lokvogel. Zo liep er eens bij een dergelijke smokkelactie nabij de Vetstukken iemand met een volle zak op de rug tegen de lamp. De commiezen inspecteerden de zak en moesten knarsetandend constateren dat er enkel hooi in zat; ook fouillering leverde niets op. Teleurgesteld en verbitterd moest men de persoon laten gaan. De kornuiten van deze man werden gewaarschuwd en waren nog meer op hun hoede. Zodoende ontkwamen ze aan een mogelijke arrestatie.
Een ander persoon, woonachtig aan het Ossepad nabij de Valtherdijk, droeg onder zijn kleding op de borst een blaas met bloed tijdens zijn smokkeltochten. Toen hij merkte dat hij door de grensbewakers staande zou worden gehouden, verstopte hij zijn zak met foezel onder een struik en liet zich aanhouden. Met een mes in de hand stond hij voor de twee commiezen die hem te pakken hadden gekregen. Hij dreigde zich dood te zullen steken als de overheidsdienaren hem zouden arresteren. Toen daarop een der accijnsbeambten op hem toe stapte, stak de man zich in de borst. Hevig bloedend zeeg hij neer. De hevig geschrokken beambten keken elkaar verbouwereerd aan; wat moesten ze hiermee aan? Toen zei de een: ‘Laat die man maar doodbloeden. We maken er melding van, zodat hij kan worden weggehaald.’ Toen de commiezen heengingen om actie te ondernemen, stond de smokkelaar weer op, zocht de zak foezel op en vervolgde eveneens zijn weg.
Geen misdaad
Maar veel smokkelaars kwamen niet zo goed weg. Bijna dagelijks vonden er arrestaties plaats, maar hoewel de straffen en boetes niet mals waren, was de smokkel moeilijk uit te bannen. Daar kwam bij dat smokkelen niet als een misdaad werd gezien. Een inbreker werd veracht, maar een smokkelaar gewaardeerd. Met smokkelen en stropen verwierf je achting en dat gold zeer zeker in de veenkoloniën. Maar ook zonder te worden gesnapt kon het misgaan. In het najaar van 1886 vond men te Valthermond in de wijk tussen boerplaats 12 en boerplaats 13 van het Noorderdiep het levenloze lichaam van een man. Nadat men hem uit het water had gehaald, ontdekte men dat hij onder zijn jas, op zijn rug, nog een volle blaas foezel droeg. Waarschijnlijk is de man in het nachtelijk duister – zeer wel mogelijk in combinatie met ruimhartig alcoholgebruik – te water geraakt. Wie de drenkeling was, is nooit achterhaald; er werd niemand vermist en niemand kende de man. Hij is ongeïdentificeerd op kosten van de gemeente op de begraafplaats aan de Valtherdijk begraven.
Dat de dranksmokkel nogal lucratief was, zal na verder lezen duidelijk worden. De sluikers kochten de foezel voor zo’n veertig cent per liter van de clandestiene stokers in Duitsland. De drank werd merendeels in varkensblazen gedaan. De inhoud van zo’n blaas was tussen de vijf en zeven liter en die werd op verschillende manieren over de grens gesmokkeld. Vaak droeg een sluiker twee tot drie blazen bij zich, waardoor er tussen de vijftien en twintig liter per keer kon worden gesmokkeld.
Dubbele prijs
Aan de Hollandse kant van de grens ging de alcohol voor het dubbele van de prijs van de hand, zodat op elke liter zo’n veertig cent werd verdiend. Een smokkeltocht leverde de sluiker dus al gauw zes tot acht gulden op. Als je daarbij bedenkt dat een arbeidersweekloon in die tijd vijf tot zeven en een halve gulden bedroeg, is het duidelijk dat men voor een dergelijk extraatje wel enig risico wilde lopen. De foezel had een alcoholpercentage van zeventig tot tachtig procent, zodat de foezel alhier met een zelfde hoeveelheid water werd versneden. Op die manier ontstond jenever met een alcoholgehalte van 34 tot 40 procent. Voor tachtig cent hadden de tapperijen en stille knippen (clandestiene kroegen) dus twee liter sterke drank. De prijs van een borrel was toen vijf cent en men schonk een twintigtal glazen uit een liter drank. Oftewel: een liter clandestiene drank leverde de kroegbazen een verdienste van zestig cent op. De smokkelactiviteiten bezorgden dus velen extra inkomsten.
Vaak kwam het echter voor dat het zo verdiende geld ook weer aan drank werd uitgegeven. Het drankgebruik en alle ellende die dat met zich meebracht, was echter eveneens velen een doorn in het oog. Overal in den lande ontstonden geheelonthoudersverenigingen. Ook in Valthermond werd in de tweede helft van de jaren tachtig van de negentiende eeuw een afdeling van de bestrijdingsbond opgericht. In het begin had deze vereniging weinig resultaat met haar werk, maar geleidelijk werd het drankgebruik flink minder en werd er tijdens het werk steeds minder in de vorm van drank beloond. De kanaalgravers, berucht om hun drankgebruik, kregen rond negentienhonderd al vrijwel geen drank meer; er werd hen tijdens het werk hete koffie geschonken. Na 1900 was het extreme drankgebruik grotendeels uitgebannen, al bleven er natuurlijk altijd flinke innemers over…