10121258[1]
juni 2008 Drinkwater

Water van goede kwaliteit was in de voormalige veenkolonie Valthermond vrijwel niet voorhanden en aansluiting op het waterleidingnet werd pas na het honderdjarig bestaan van de Valthermond, halverwege de jaren vijftig van de vorige eeuw, gerealiseerd. Veel water voor huishoudelijk gebruik kwam gewoon uit het kanaal. Om gezondheidsrisico’s zo veel mogelijk te beperken, diende dit water –als het tenminste voor menselijke consumptie bestemd was – eerst te worden gekookt.

 

Welput en waterbak

Het water uit de welputten die bij de woningen in het veen waren gegraven, was al veel beter van kwaliteit dan het kanaalwater. De welput, zo’n drie tot vier meter onder het veendek in het zand tot onder het grondwaterpeil gegraven, was opgebouwd uit grauwe turf met om de turfwand een mantel van zuiver wit zand. Het zand en de grauwe turf filterden het grondwater, maar toch hield het water een min of meer bruine kleur. Veelal deed men het water uit de welput in een groot vat in het achterhuis. De meeste mensen hadden in het watervat een zakje aluin gedaan, zodat het water reiner en helderder werd.

Vóór 1900 waren er nog maar zeer weinig regenwaterbakken. Het water liep zó van de daken; alleen de woongedeelten van boerderijen waren voorzien van goten en afvoer naar een regenwaterbak en ook een enkel burgerwoonhuis had een opvangsysteem voor regenwater. Omstreeks 1900 begon men ook meer en meer gootsystemen aan te leggen bij de stenen woningen die op de verveende gronden, ‘in ’t lege’ (de dalgronden), werden gebouwd. Meestal was de regenwaterput bij de achterdeur geplaatst, vrijwel direct aan de woning. Deze putten waren overwegend uit betonringen opgebouwd. Met een aker aan een ketting werd het water voor huishoudelijk gebruik uit dergelijke putten opgehaald.

 

Greppels

Ook ving men in het veen water op uit dichtgemaakte greppels, die altijd water afvoerden. Onder zo’n lekkende greppel, die het veenvolk ‘welhonden’ noemde, werd dan in het veen een stokje of stuk kienhout in de veenwand gestoken, waarlangs dan het water liep en zo in een emmer kon worden opgevangen. Dit veenwater was redelijk zuiver en werd veel zonder te koken voor consumptie gebruikt.

Rond 1940 werd in Valthermond begonnen met de aanleg van het hoofdwaterleidingnet, maar de Tweede Wereldoorlog gooide roet in het eten en daarom werden de werkzaamheden pas in de jaren vijftig hervat. Doordat na de oorlog aan alles gebrek was, moest men na de bevrijding nog tien jaar geduld hebben. Maar toen werden de werkzaamheden ook daadkrachtig ter hand genomen en is binnen twee jaar bijna elke woning in de Valthermond op het waterleidingnet aangesloten. Die aansluiting bood ook de plaatselijke loodgieters, zoals onder anderen Lever, Pot en Pietersen, nieuwe kansen. Wel moesten de loodgieters – eigenlijk een overgangsberoep tussen smid en installateur – eerst een cursus voor waterfitter volgen, voordat ze aan het waterleidingsysteem mochten werken.

Het waterleidingbedrijf bracht vanaf de hoofdleiding de aansluitleiding in de woning, met daarbij één aftappunt. Dat punt was vrijwel overal boven het aanrecht in de keuken. Wenste men verdere uitbreiding van het watersysteem in huis of bedrijf, dan moest de waterfitter/loodgieter worden ingeschakeld. Voor het geleverde water gold een vast bedrag per aansluiting en aantal tappunten. Velen stelden zich dan de eerste jaren ook tevreden met die ene aangebrachte waterkraan.

 

Geiser

Toch breidde het waterleidingsysteem in de woningen zich vanaf de jaren zestig al gauw verder uit. Dit vooral door de komst van de geiser, zodat men ook over heet water kon beschikken. De eerste geisers, die meestal boven de gootsteen van het aanrecht aan de muur werden gemonteerd, werkten op butagas, waarbij de gasfles achter een aanrechtkastgordijn of -deurtje werd geplaatst. Vaak werd meteen met de aanschaf van de geiser ook een woningaanpassing gerealiseerd, zodat men over moderne sanitaire voorzieningen kon beschikken, zoals een watercloset en een douche. De loodgieter legde de hiervoor noodzakelijke leidingen aan. Al gauw werd er verder uitgebreid met aftappunten voor wasmachine en buitenkraan. Door de sterke stijging van het watergebruik en tevens de onmogelijke controle op het aantal aftappunten voor water, alsmede het steeds meer geldende principe ‘de gebruiker betaalt’, werden er door het waterleidingbedrijf vanaf halverwege de jaren zeventig watermeters geplaatst en moest er toen per kubieke meter gebruikt water worden betaald.