![]() |
De gronden in de bedding van het voormalige veenriviertje de Mussel-A waren al in de middeleeuwen mandelig (= gemeenschappelijk) bij de boeren uit Valthe in gebruik voor de winning van hooi en als naweide voor de schapen. Deze gronden waren voor de Valther boeren van zeer grote waarde en bepaalden mede de grootte van de veestapel van het boerenbedrijf. De door het vee te produceren mest was maatgevend voor de oppervlakte van de te bewerken landbouwgrond die op de essen rond Valthe gelegen was. Het veenriviertje ontsprong tussen Weerdinge en Valthe en liep door het Valtherveenmoeras – dat slechts een klein deel van het omvangrijke Boertangermoeras vormde – naar het noorden, waar het afwaterde op de Dollard. Voor zover het binnen de gronden van de Valthermarke lag, werd het door de Valthenaren het Valtherdiep genoemd. Het woord ‘rivier’ vond men voor het eerste gedeelte van het sterk meanderende watertje te veel van het goede. Toch kon deze stroom ook in het Valther deel van het veenmoeras zeker ’s winters al behoorlijk opzwellen en grote delen van de bedding onder water zetten. Het Valtherdiep liep hier op zo’n 100 tot 250 meter ten zuiden van de Valtherdijk, die in de late middeleeuwen zou zijn aangelegd, en liep zo verder op de Zandberg aan, waar het deze aan de westzijde voorbij ging, richting de Mussel, en verder op Onstwedde aanging.
Dargveen
De gronden langs de Mussel-A, die dus de wintervoedselvoorraad, het hooi voor het vee moesten leveren, lagen doorgaans op het dargveen; dat is een dunne laag natte en slappe veengrond. Deze gronden waren grotendeels – ook in de zomer – niet door het vee te betreden. In de wintermaanden stonden deze groenlanden zo mogelijk onder water en waren ook ’s zomers zó dras dat er geen boom of struik wilde groeien. Het gras deed dat evenwel des te beter. Men had allang begrepen dat stromend water een gunstige invloed uitoefende op de vruchtbaarheid van de daar gelegen madelanden (de hier, evenals elders, gebruikte benaming voor grasland). Om daar ten volle van te profiteren, moest men de natuurlijke aan- en afvoer van het water enigszins in de hand hebben. Daartoe werden er in de herfst stuwtjes in de Mussel-A gebouwd, om het water te beletten te snel weg te stromen. Het water werd daarna langs greppeltjes door de verschillende groenlanden geleid en in een lager gedeelte weer in de Mussel-A geloosd; die greppeltjes werden door de Valthenaren ‘Zèpeltjes’ genoemd.
De overstroomde stukken leverden het langste gras en hadden de hoogste opbrengst. Of er veel of weinig water kon worden gevloeid, was mede sterk afhankelijk van de regenval. Maar meestal stond het gehele stroomdal de ganse winter blank. In het voorjaar kwam het er dan op aan om het juiste tijdstip te kiezen om de stuwen te openen. Zodat het land weer bloot kwam. Trof men het dat er warmte kwam, dan bleek terdege de gunstige invloed van het water op de grasgroei. In korte tijd bloeide het hele madegebied, met onder meer gele dotterbloem, koekoeksbloem en pinksterbloem. Gebeurde het echter dat er na het droogvallen van de gronden nachtvorst optrad, dan was Leiden in last. Men hoefde dan niet meer op een overvloedige hooioogst te rekenen.
Boerrichter
De boerrichter, het hoofd van de boermarke die de landbouwbelangen van de boeren behartigde en de woeste gronden binnen het Valther grondgebied beheerde, bepaalde wanneer het water werd geloosd. Veelal was dit rond mei, zodat er zes weken later bij goede groeiomstandigheden reeds kon worden gemaaid. De verschillende percelen groenland langs de Mussel-A werden bij roulatie aan de gerechtigde boeren in de Marke toegewezen. Vooral de gronden in de Vetstukken en de Musselhooistukken (het gebied nabij de Zandberg, waar in de eerste helft van de negentiende eeuw de Valthermussel zou ontstaan) gaven eeuwenlang een flinke grasopbrengst te zien en waren dan ook zeer geliefd. Vaak ging men gezamenlijk met de arbeiders zo halverwege juni naar de madelanden langs de Mussel-A om de toegewezen panelen te maaien. Manden met voldoende proviand voor de lange dag werden meegenomen. Reeds kort na drieën ’s nachts ging men op pad, zodat men, al naar gelang van de ligging van de percelen, tussen vier en vijf uur in de ochtend aan de slag kon. De verste gronden lagen op de Zandberg, zo’n anderhalf tot twee uur lopen van het dorp Valthe.
Doordat het gras in de vroege ochtend bedauwd was, maaide het veel gemakkelijker dan wanneer het dor en droog was. Het gezegde ‘’s Morgens vroeg, de gehele dag vroeg’ deed zich hier zeker gelden. Maar toch was en bleef het maaien van het gras op de madelanden een zwaar en moeizaam karwei. Het beekdal was zeer oneffen en er bevonden zich veel taaistengelige planten in de graspercelen, terwijl op hoger en dus droger gelegen gronden volop struikgewas en heide in het groenland groeide. Geregeld moest dan ook de zeis worden gescherpt of zelfs geaard. Ook stond men in de laagste gedeelten van dit drassige groenland zeker tot de enkels in het water. Het gemaaide gras van deze laagste percelen kon niet ter plekke tot hooi drogen en diende dus naar hoger gelegen gronden te worden gebracht om een goede en voldoende droging te bewerkstelligen. Het gemaaide gras van deze natte stukken werd bijeen geharkt en op hoopjes gezet. Daarna bracht men het met twee man, door stokken door de hoopjes te steken, naar een droger gedeelte van het groenland, waar het bij het daar gemaaide gras werd uitgelegd om te drogen.
Draagbaar
Vele dagen was men na het maaien in touw om het gras door geregeld keren en opschudden tot hooi te maken. Maar ook het hooi moest vaak op een soort draagbaar, dikwijls een ladder, naar de Valtherdijk worden gebracht, waar het op een wagen werd opgetast. Was de dijk in een redelijke toestand – ook ’s zomers kon hij nog wel eens slecht begaanbaar zijn – dan kon de wagen zó door een lastdier worden voortgetrokken, richting de hoeve te Valthe; er werden voor het transport zowel paarden als ossen gebruikt. Maar geregeld was de toestand van de dijk zo slecht dat strobanden om de wielen van de wagen werden gewikkeld en het trekdier trippen (= een soort voetplaten) moest dragen om het vervoeren van het hooi mogelijk te maken. Als alles meezat, konden er op een dag zo’n twee wagenvrachten hooi worden binnen gehaald. Dat was globaal de opbrengst van één hectare redelijk groenland.
Na het hooien was het land – meestal gedeeltelijk – nog ongeveer acht tot tien weken geschikt voor naweiden van koeien en schapen. De schaapherder en de koeheren lieten de hen toevertrouwde kuddes, voor zover de vastigheid het toeliet, hierop grazen. Het gras van de natste delen werd nog eenmaal gemaaid voor directe bijvoeding van het vee. Hoewel het maaien en hooien zeer zwaar werk was, genoot men volop van het werk in de vrije natuur op het veenmoeras, waar een grote diversiteit aan flora en fauna waargenomen kon worden. Na 1880 behoorde de hooiwinning in het beekdal van de Mussel-A ten gevolge van de vervening tot het verleden.