april 2008 Kindersterfte in de Veenkoloniën

De zuigelingen- en kindersterfte in de Veenkoloniën, waaronder Valthermond, was tot de jaren twintig van de vorige eeuw ongekend hoog. Zeker tussen de veertig en vijftig procent van de borelingen stierf vóór het vijfde levensjaar. Van de honderd sterfgevallen waren rond 1880-1890 zeker dertig kinderen van nog geen jaar oud. In diezelfde periode was de gemiddelde leeftijd die de bevolking hier in de Veenkoloniën bereikte zo’n vijfenveertig jaar. Die lage leeftijd was vooral een gevolg van de grote kindersterfte.

 

Armoede

Deze sterfte onder kleine kinderen was in belangrijke mate een armoedeverschijnsel. Onvoldoende hygiënische voorzieningen, slechte behuizing en gebrek aan frisse lucht hadden daarmee uiteraard veel van doen. Vooral de eerste woningen op het bovenveen, zoals plaggenhutten en eenvoudige houten keten, waren zeer bedompt en tochtig. Vaak leefden onder hetzelfde dak ook nog een paar geiten, een schaap en/of een varken.

Dat was echter niet de hoofdoorzaak van de enorme zuigelingen- en kindersterfte. Vooral de verzorging en de voeding waren de grote boosdoeners. Baby’s die voldoende en geruime tijd borstvoeding kregen, hadden een aanzienlijk betere kans om de kindertijd te overleven dan kinderen die traditioneel werden gevoed. Hoewel vrijwel alle vrouwen hun kinderen de eerste weken aan de borst hadden, stopten velen al weer binnen een maand hiermee. De moeders hadden daarvoor een veelheid aan redenen, zoals te weinig melk, ziekte en te weinig tijd; dat laatste was dan vooral te wijten aan een te druk huishouden, de vele kinderen en de arbeid in het veen.

Die traditionele voeding bestond doorgaans uit een soort pap van meel, brood of beschuit, die met water (en soms ook wel met melk) werd aangelengd. Voor jonge zuigelingen dus totaal ongeschikt. Het water was veelal onzuiver en de melk van slechte kwaliteit. Bij de bereiding werd onvoldoende op de hygiëne gelet, maar men kon vaak ook niet anders. Met de veel gebruikte schoteldoek werd de bips van de baby afgeveegd, maar ook het mondje schoongemaakt. De zuigflessen, hier titflessen genoemd, waren vaak niet goed schoongemaakt. Het zal dan ook niemand bevreemden dat maag- en darmstoornissen de belangrijkste doodsoorzaken waren onder de zuigelingen, zeker in de warme zomermaanden.

 

Onkunde

Eveneens speelde onkunde op het gebied van de kinderverzorging een grote rol bij een aantal overlijdensgevallen. Traditionele verzorgings- en voedingsmethoden, overgenomen van moeder en grootmoeder, werden niet zomaar opzij gezet. Zoals bijvoorbeeld het geven van spekschraapsel aan baby’s, wat hier veel werd gedaan. De kinderen zuigen de uiterst kleine stukjes spek langzaam op en zo werden de darmen van binnen gesmeerd, meende men. Het zou een kind gezond houden en het sterk maken, was de geldende opvatting. Dat daarbij een arts een andere mening was toegedaan, was voor velen van ondergeschikt belang. De raad van de ouders was voor de moeders in het algemeen van meer waarde dan wat geneeskundigen hen uitlegden. De ouders waren er immers zelf ook groot mee geworden! Trouwens, wat de medici hen adviseerden, konden ze zich niet eens veroorloven.

Na 1890 werd het geleidelijk wat beter voor de bevolking hier ter plaatse. De huisvesting verbeterde en er werd meer aandacht aan voeding en verzorging geschonken. Dat kwam onder meer door hogere prijzen voor turf en landbouwproducten en dientengevolge betere verdiensten voor de arbeiders. Ook het aanstellen, door de gemeente Odoorn, van een vroedvrouw in 1888 in Valthermond zorgde voor verbetering van de kinderzorg. Deze vroedvrouw, mevrouw Kleinenberg, adviseerde ook over voeding en verzorging en gaf bovendien nuttige en algemene wenken voor het hele gezin. Toch veroorzaakte de praktische toepassing ervan veel problemen en daarom waren die adviezen en wenken niet altijd uitvoerbaar. Het dagelijkse wassen van de kinderen, het liefst met hun eigen zeep en handdoek, en het goed en grondig reinigen van speen en zuigfles veronderstelden dat er voldoende beschikking over schoon water, kleren en linnengoed was. En daaraan ontbrak het in arbeidersgezinnen vrijwel altijd.

 

Voorbereid

Voordat er een vroedvrouw aanwezig was, werden bevallingen veelal met hulp van buurvrouwen of de moeder gedaan. Van enige medische kunde was hierbij geen sprake. Dreigde de geboorte mis te lopen, dan werd alsnog gepoogd een dokter – die van Odoorn of Musselkanaal moest komen – erbij te halen. Maar dan was het meestal te laat en hoefde de arts enkel nog de doodsschouw te verrichten. Rond 1900 bestond er bij de arbeidersgezinnen nog grote onzekerheid over de levenskansen van hun jonge kinderen. Men was op het sterven voorbereid. Men aanvaardde de dood van een zuigeling als iets onvermijdelijks, waar niets tegen te doen viel. Of, zoals een arbeidersvrouw die in de Valthermussel woonde zei: ‘De mens wikt, God beschikt. We hebben er ons maar bij neer te leggen.’

Sommigen zagen zo’n uitspraak als ongevoeligheid, maar veel ouders zagen het als realisme. Wel ging het verdriet om een dood kind vaak samen met een gevoel van opluchting, juist in grote gezinnen. Het verlichtte immers de zorg. De emotionele gehechtheid van ouders aan hun pasgeborene was door het bekende en aanvaarde stervensrisico waarschijnlijk minder groot dan menigeen in burgerlijke kringen normaal zou hebben gevonden. Het was dikwijls echter schijn en het maakte de mensen door deze houding mogelijk om zich in het dagelijks leven staande te houden. Het gemis dat de ouders in hun hart voelden, vooral voor de moeder, die het kind onder haar hart had gedragen, werd niet geuit.

 

Onderling hulpbetoon

In december 1903 werd in de Valthermond een vereniging voor ziekenzorg opgericht, met de naam ‘Onderling hulpbetoon’. Dat leidde ertoe dat er meer aandacht aan de volksgezondheid en ziekenverpleging werd geschonken. De vereniging voor ziekenzorg ging in 1910 op in het Groene Kruis. Dat die instelling in een behoefte voorzag, bleek. wel: vrijwel iedereen hier ter plaatse werd lid. Men kon en wilde de medische zorg niet meer ontberen. Een mogelijk nog grotere verbetering in de gezondheidszorg in de Valthermond was de aanstelling van een eigen wijkverpleegster in 1916 en het jaar daarop de komst van een dokter, de heer E.H. de Jong.

Het Groene Kruis timmerde intussen ook steeds meer aan de weg. Het gaf voorlichtingsavonden, waar met lichtbeelden werd verteld over hygiëne en voeding. In de jaren twintig van de vorige eeuw werden er ook speciale moedercursussen gegeven. De lessen vonden plaats in een lokaal van de 58ste school; die stond op het vooraf van plaats no. 58 (vandaar de naam van de school) aan het Zuiderdiep.

In 1928 kwam er een consultatiebureau voor zuigelingen, dat wekelijks spreekuur hield in het café van de familie Bakker, dat op het vooraf van plaats no. 44 aan het Zuiderdiep stond. Het jaar 1930 was een heugelijk jaar voor het Groene Kruis: men kon een eigen gebouw laten neerzetten. De opening vond dat jaar op 8 oktober onder grote belangstelling plaats. De gevolgen van alle hiervoor genoemde voorzieningen , alsmede de verbetering van de persoonlijke hygiëne, eet- en leefgewoonten, laten zich raden: de kindersterfte daalde enorm en liep terug naar nog maar één enkel procent. Al bleef elk sterfgeval een groot drama voor de familie die ermee werd geconfronteerd.