februari 2008 De Landarbeiderswet

Landarbeiders vormden zo rond 1920 een zeer belangrijke bevolkingsgroep in de Valthermond. En door de nog steeds forse toename van de dalgrond, ontstaan uit de nog volop in vervening zijnde gronden, breidde de groep landarbeiders zich steeds meer uit. Deze mensen zaten door verschillende omstandigheden nogal in de verdrukking, waarbij vooral de lage lonen hen de grootste zorgen baarden. Bezuiniging op de weeklonen was voor de meeste werkgevers gemakkelijk te bereiken, want als gevolg van de grote vruchtbaarheid van de arbeiders, gepaard gaand met sterke gehechtheid aan hun geboortegrond, alsook aan het bedrijf waarvoor men werkte, overtrof het aanbod van werkkrachten bijna het gehele jaar door ruimschoots de vraag.

 

Stakingen

Het gevolg was dat de lonen zich tot en met de eerste decennia van de vorige eeuw jaar in jaar uit bleven handhaven op een peil dat zó laag was dat daaruit voor bijna geen enkel landarbeidersgezin een voldoende levensonderhoud kon worden bereikt. Kort na 1900 echter, toen arbeiders meer en meer tot organisatie en het oprichten van vakbonden overgingen, waren de toestanden in het landbouwbedrijf door verschillende oorzaken betrekkelijk rooskleurig, zonder dat de boeren zich in het algemeen genegen toonden om tot vrij sterke loonsverhoging over te gaan. Dus ging het er spannen. Hier en daar – ook in de Valthermond – braken stakingen uit. Die hadden tot gevolg dat de onderlinge verhoudingen hoe langer hoe meer te wensen gingen overlaten. Het bracht de landarbeiders ook geen noemenswaardig voordeel.

Eerst in de oorlogsjaren van 1914-1918, waarin Nederland neutraal bleef, kwamen de lonen zo rond 1915 op een behoorlijk peil, toen de goed opgezette landbouwbedrijven ruime winsten opbrachten. Maar zodra de regering ophield zich met de landbouw te bemoeien en de prijzen van de producten zich weer naar de wereldmarkt gingen regelen, werd het misère voor de landbouw. De arbeiders kwamen opnieuw in de verdrukking.

 

Geen reserve

Zeker, de tijd van omstreeks 1890, toen een volwassen arbeider een verdienste had van globaal 300 gulden per jaar keerde gelukkig niet terug. Maar ook de inkomsten van rond 1918 waren met ongeveer 750 gulden per jaar zeer gering, zodat met behulp daarvan nauwelijks voldoende levensvoorwaarden te scheppen waren. En aan het opbouwen van enige reserve voor de oude dag viel al helemaal niet te denken. Weliswaar was de oude dag, sinds er aanspraak op ouderdomspensioen ontstond, niet meer zo’n ernstig dreigend spook als in vroeger tijden. Niettemin wachtte het echtpaar dat aanspraak kon maken op de wekelijkse uitkering van vijf gulden toch een kommervolle levensavond. Tenzij men tegen het aanbreken van deze levensavond een eigen tuin bezat, waarbij een zó groot perceel grond behoorde dat daarop al het plantaardige voedsel, nodig voor het gezin, kon worden verbouwd.

Om nu deze mogelijkheid voor dergelijke zuinige en vlijtige boerenarbeiders te scheppen, werden in 1918 onder de naam ‘Landarbeiderswet’ een reeks van voorschriften in het leven geroepen. De inhoud daarvan hield globaal het volgende in:

‘Dat iemand die voornamelijk door veldarbeid in zijn levensonderhoud voorziet, van goed gedrag is, en tenminste 25 en jonger dan 50 jaar oud, uit ’s Rijks kas op gemakkelijke voorwaarden ten hoogste negen tiende gedeelte kan verkrijgen van het bedrag waarvoor hij een woning met een daarbij behorend stuk grond kan kopen. Mits zulk een complex niet meer kost dan 4000 gulden en mits hij uit eigen middelen minstens tien procent van de koopsom kan bijdragen. De voorwaarden waaronder het negen tiende gedeelte van de koopsom van het perceel met woning door het Rijk aan de gemeentebesturen worden verstrekt – die het op hun beurt weer aan de betrokkenen uitkeren – zijn dat van het opgenomen bedrag eerst drie jaar lang in de vorm van rente vier procent moet worden opgebracht en vervolgens in de vorm van rente en aflossing vijf en vier vijfde procent, waarna het complex, dat de arbeider reeds dadelijk bij het aangaan van de lening op zijn naam heeft verkregen, zijn eigendom is geworden.’

 

Wereldwijde crisis

Door deze regelingen van de Landarbeiderswet werden eveneens hier in de Valthermond door verschillende landbouwers percelen van de vooraffen aan hun arbeiders verkocht, zodat hier in de jaren twintig van de vorige eeuw een flink aantal woningen volgens de wet zijn gebouwd. Helaas kwamen in de jaren dertig ten gevolge van de grote wereldwijde economische crisis – waardoor de lonen sterk daalden – vele bezitters van woningen in grote moeilijkheden. Rente plus aflossing vielen gewoon niet meer op te brengen. Zodoende moest met regelmaat een woning worden verkocht. Hoe goed de doelstelling van de Landarbeiderswet ook was, de crisis zorgde ervoor dat veel arbeiders toch in onoverkomelijk hachelijke financiële situaties geraakten.