In de negentiende eeuw was het met de voorzieningen in het land – en vooral op het platteland – nog droevig gesteld. Een dokter, vroedvrouw of verpleegster kwam op het platteland niet of nauwelijks voor. En ook hier in de Valthermond was de situatie niet anders. Men was dus aangewezen op zelfredzaamheid en burenhulp. Kwakzalvers, kruidengenezers en wonderdokters werden dan ook volledig in vertrouwen genomen. En het moet gezegd: heel veel natuurlijke huismiddelen boden wel degelijk verlichting of gaven volledig herstel.
Gemeentegeneesheer
Voor medische voorzieningen was men in de tweede helft van de negentiende eeuw in Valthermond aangewezen op de dokter in Odoorn, de gemeentegeneesheer. In de jaren negentig kwam er wat verbetering, toen de Odoorner arts eenmaal per week zitting hield in hotel Smit, dat toen hier ter plaatse bij de Kavelingbrug stond. Maar die zittingen waren ook nog eens afhankelijk van de gesteldheid van de wegen en het weer. ’s Winters bleven de zittingen in Valthermond dan ook veelal uit en dan moest men toch zelf naar Odoorn, wat toch al gauw een voettocht van twee en een half uur betekende.
Dat burenhulp in zo’n situatie zeer belangrijk en noodzakelijk was, zal duidelijk zijn. Die noaberhulp was zeker niet vrijblijvend. Iedereen kende de ongeschreven regels en leefde daar dan ook naar. Want als iemand zijn noaberplicht zou verzaken, werd hij of zij door de buurt verder genegeerd en met de nek aangekeken. Ook de rest van het dorp of de buurtschap wilde niets van doen hebben met de betreffende persoon of diens gezin. Zulke gezinnen konden dan ook het beste zo snel mogelijk verhuizen. Verzaken van noaberplichten kwam dan ook vrijwel niet voor. Iedereen was zich er terdege van bewust dat ook hij of zij in een situatie kon geraken waarbij noaberhulp diende te worden geboden. Je naaste bijstaan was dan ook vanzelfsprekend en ook al had men ruzie, ten tijde van nood stond men klaar voor elkaar.
Sterfgevallen
De noaberverplichtingen golden in principe voor de vijf aanpalende gezinnen aan weerszijden van het hulpbehoevende gezin. De belangrijkste noaberverplichtingen bestonden uit het bijstaan en het verrichten van taken bij overlijden, geboorte en huwelijk. Bij een sterfgeval ging een van de naaste buren door de buurt om het overlijden aan te zeggen en ook de familie van de overledene in naastliggende dorpen werd door de aanzegger bezocht; het was de gewoonte om hem hiervoor enkele centen ter hand te stellen. De aanzegger was ook nog eens herkenbaar aan de stok waarmee hij liep: een zwarte stok bij het verkondigen van rouw en een rode stok bij een geboorte of bruiloft. Soms was die stok in de betreffende kleur geschilderd, maar meestal waren er linten in de benodigde kleur aan de stok bevestigd.
De noabers regelden het maken van een lijkkist bij timmerman of stelmaker; vaak had men hiervoor thuis al de planken op zolder liggen. Ook het verzorgen van de overledene, alsmede het kisten, werd door de noabers gedaan, evenals de aangifte van overlijden op het gemeentehuis. Op de dag van de begrafenis – die werd vrijwel altijd vanuit huis gedaan – zorgden de buren voor de benodigde broodjes en koffie. Nadat de dominee aan het sterfhuis een korte lijkpreek had gehouden, werd de kist op een ter beschikking gestelde boerenwagen geplaatst en naar de begraafplaats vervoerd. De noabervrouwen gingen niet mee in de rouwstoet, maar maakten de koffietafels gereed en openden de in de opbaarperiode gesloten blinden en gordijnen.
Geboorte
Bij een naderende geboorte ging de aanstaande vader naar de vrouwen van de eerste buren aan weerszijden om te melden dat het vrijwel zo ver was. Hij zei dan: ‘’t Is zo wied, de vrouw is in de kroam.’ De vrouwen wisten dan wel wat hen te doen stond en stonden de aanstaande moeder bij de bevalling terzijde. Ook de taken van de baker – als de moeder of schoonmoeder die al niet op zich namen – werden dan door de buurvrouwen vervuld. Was de kleine geboren, dan ging een van de noabers door de buurt om de geboorte wereldkundig te maken. Ook gingen anderdaags twee buren met de trotse vader mee om het kind bij het gemeentehuis aan te geven. Na de aangifte werden de getuigen door de vader in een nabijgelegen café op een borrel getrakteerd. Ongeveer drie weken na de geboorte kwamen de noabervrouwen op kraamvisite, toentertijd ‘noaberwiefvisite’ genoemd.
Ook bij de doop was er een belangrijke taak voor de buurvrouwen. Een van de buurvrouwen droeg het lutje poppie de kerk in en andere buurvrouwen zorgden er ondertussen voor dat na de doopdienst thuis de koffie was gezeten er voldoende koek en/of krentenstoet klaarstond. Maar ook bij huwelijken of jubileumhuwelijksdagen stonden de noabers klaar: aanzeggen, de boog plaatsen en het verzorgen van de gasten geschiedde door de noabers. En ook bij andere omstandigheden waren de buren paraat. Zoals hulp bij ziekte en rampen: onder meer medicijnen halen, waken, bouw- en oogstwerkzaamheden verrichten. Tevens was het sneeuwvrij maken van de weg bij winterweer een taak van de buurt; dat deed men dan gezamenlijk; niemand onttrok zich hieraan.
Ouderenhulp
Noaberhulp betekende ook dat hulpbehoevende ouderen, wanneer er geen familie in de buurt woonde, door de buurtgenoten werden verzorgd en in de gaten gehouden. Men hielp zolang totdat het gezin in nood het normaliter weer zelf zou kunnen klaren. Een bekend spreekwoord uit de tijd van de noaberverplichtingen luidt ‘Trouw dien noaber’s dochter en koop dien noaber’s koe’. Dat betekent grofweg: haal niet ver weg wat je dichtbij kunt halen, want zo help je elkander.
De sociale en maatschappelijke leefwijze hield ook in dat men weinig voor elkaar verborgen kon houden. Door het ontstaan van begrafenis- en kruisverenigingen en betere medische en maatschappelijke voorzieningen raakten de noaberplichten gedurende de afgelopen eeuw geleidelijk uit de tijd. Tegenwoordig worden veel van de hiervoor genoemde ondersteunende taken door maatschappelijke organosaties uitgevoerd. Maar het in tijd van nood voor buurtgenoten klaar staan, wordt ook heden ten dage – gelukkig – door velen nog als vanzelfsprekend beschouwd en blijmoedig gedaan.