Dubbelklik hier om de afbeelding te veranderen
november 2007 De Grote Veenbrand (slot)

Naar aanleiding van de activiteiten en publicaties afgelopen voorjaar betreffende de veenbrand van mei 1917, afgesloten met een imponerende herdenking op 1 juni op de begraafplaats Valthermond-Oost bij de grafzerken van enkele slachtoffers van de verschrikkelijke brand, leek het me interessant en wenselijk om hieraan een uitgebreid opstel te wijden. Daarin wordt tevens de periode voorafgaand aan deze vele slachtoffers eisende ramp uit de doeken gedaan. De gebeurtenissen in die periode zijn immers zeker van invloed geweest op de uitgebreidheid van de Grote Veenbrand. Doordat het opstel erg lang is, is het in drie delen opgesplitst. Hierbij het laatste  deel.

Regering biedt hulp

Vroeg in de middag van de 21ste mei 1917 – de veenbrand zou om ongeveer één uur zijn uitgebroken – had de heer Vriend, burgemeester van de gemeente Odoorn, zich van de verschrikkelijke situatie in de Valthermond op de hoogte laten stellen. De berichten hierover waren zó verontrustend dat de burgervader meteen de Commissaris van de Koningin in Assen belde. Nog diezelfde middag liet de Commissaris, de heer Linthorst Homan, zich door zijn chauffeur naar het rampgebied rijden om daar persoonlijk poolshoogte te nemen. Hij en burgemeester Vriend concludeerden dat zich in de Valthermond een ramp van ongekende grootte voltrok. Nog diezelfde avond, na zijn terugkeer in Assen, nam de Commissaris telefonisch contact op met de regering in Den Haag. Die kwam meteen de volgende dag in spoedzitting bijeen en besprak uitvoerig op welke wijze hulp kon worden geboden.

De minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, zoals dit departement toen heette, schakelde het leger in en zond pioniers naar Drenthe. Uit het schietopleidingskamp De Harskamp werden tweehonderd militairen naar Valthe gedirigeerd. Daar sloeg de legereenheid een tentenkamp op nabij het treinstation. De militairen werden in het getroffen gebied ingezet voor het graven van greppels en het doven van weer oplaaiende vuurhaarden. Gedurende het spoedberaad van de regering was tevens besloten twee brandweerwagens van de Haagse brandweer naar het rampgebied te sturen. Het ene voertuig was een autospuit, die de lange rit over de weg zou maken; de andere eenheid, een auto-stoomspuit, zou per spoor worden vervoerd.

De manschappen van de Haagse brandweer vonden het een hele eer en vol overmoed toog men naar het Drentse veenland om daar het brandje eventjes te gaan blussen. Al snel kwam men in het geblakerde veenlandschap echter tot de ontdekking dat het blussen van een veenbrand heel wat anders was dan het blussen van een brandend gebouw. De moed zonk de Haagse brandweerlieden al gauw in de schoenen, nadat ze kennis hadden gemaakt met het verraderlijke karakter van een veenbrand. Alle regels van systematische brandbestrijding bleken volkomen nutteloos. Terwijl men het vuur met de waterspuit bestreed, brak achter hen de brand weer uit; zelfs enkele brandslangen raakten door het vuur aangetast. Op 25 mei kwamen ook drie handbrandspuiten uit Groningen op het spoorwegstation in Valthe aan, evenals een viertal brandweerlieden. Onder professionele aanvoering en instructie bedienden ook burgers en militairen de spuiten.

 

De koningin

Toen koningin Wilhelmina over de veenbrand werd ingelicht – ook in het Weerdinger- en Emmererfscheiderveen had brand gewoed – besloot Hare Majesteit zich direct naar het rampgebied te begeven. Haar echtgenoot, Prins Hendrik, en enkele Kamerleden vergezelden haar. Op de avond van donderdag 24 mei vertrok het Koninklijke gezelschap vanaf station Staatsspoor in de residentie. Rond elven ’s avonds werd de Koninklijke trein in Meppel op een zijspoor gerangeerd, waar koningin en prins met hun gevolg in de trein de nacht doorbrachten. De volgende ochtend werd de reis naar Assen vervolgd. Daar stonden al auto’s gereed, evenals de Commissaris van de Koningin, en reed men direct naar het zwaar getroffen veengebied. Ook had het Rode Kruis zeven zware kisten met kleding meegezonden. Ook die gingen meteen vanuit Assen op een militaire vrachtwagen naar de Valthermond.

Daar aangekomen werd het Koninklijke gezelschap en de stoet hoogwaardigheidsbekleders in het crisiscentrum, café Veenlust van Niesko Pras, ontvangen. De aanwezigen werden tijdens de koffie met broodjes door de burgemeester op de hoogte gebracht van de toestand en de gevolgen van de veenbrand. Al gauw ging het gehele gezelschap het rampgebied in om de toestand te aanschouwen. Hare Majesteit was zeer geïnteresseerd en toonde zich betrokken bij alle ellende die ze zag. Ze hield zich niet aan het inderhaast opgestelde protocol. Onze vorstin liet zich niet door as, roet en rook weerhouden en trok onverschrokken de misère in. Ze sprong over greppels om slachtoffers en nabestaanden te bezoeken en die zo mogelijk een hart onder de riem te steken. Ze daalde een wankel trapje af in het ruim van een kleine tjalk om persoonlijk de huisvesting van de daar tijdelijk gevestigde slachtoffers van de brand te zien.

De bevolking van de Valthermond en het gevolg van de koningin sloegen van schrik de hand voor de mond toen ons staatshoofd over een wankel plankier, onder in de diepswal op waterhoogte gelegen, het kanaal overstak om weer een slachtoffer van de brand te bezoeken. De hoogwaardigheidsbekleders zagen de strapatsen van hun majesteit met afgrijzen aan. Opgelucht haalde men adem toen de koningin de oversteek zonder ongelukken had volbracht en ze door een attente veenarbeider bij de hand werd genomen en op de wal geholpen. Ook Janneke Vos, echtgenote van Dirk van der Lei en zeer ernstig verbrand, werd door de koningin bezocht. Hare Majesteit was zeer begaan met de vreselijk toegetakelde jonge vrouw, die ook nog eens zwaar was getroffen door het verlies van twee kinderen tijdens de vlucht voor de alles vernietigende brand en die met hoge koorts en ondraaglijke pijn te bed lag. De vorstin sprak, voor zover mogelijk, troostende en opbeurende woorden tot Janneke en haar man. Janneke’s verwondingen waren echter zo ernstig dat ze ruim een dag na het Koninklijke bezoek aan haar kwetsuren overleed.

 

Ain geweldig wief

Na het bezoek aan de Valthermond ging het Koninklijke gezelschap naar de rampgebieden bij Nieuw-Weerdinge en Emmercompascuum. Het bezoek van het koninklijk paar heeft in de Valthermond diepe indruk gemaakt: van hoge komaf en dan toch zo begaan met het veenvolk! ‘Ain geweldig wief’, zoals een ruige veenarbeider respectvol zei. Het weerspiegelt duidelijk de grote achting van het eenvoudige veenvolk voor de koningin. De Valthermonders hebben toen hun staatshoofd voor altijd in hun hart gesloten.

Direct na het uitbreken van de brand had het college van Burgemeester en Wethouders van Odoorn een commissie benoemd die werd belast met de inventarisatie van de geleden brandschade en het onderdak brengen van de gezinnen die hun woning hadden verloren. In café Schuringa, bij de Bakkerslaan, werd daartoe door de commissie zitting gehouden. Vooral de huisvesting van de getroffenen moest meteen ter hand worden genomen. Meer dan negentig woningen, waaronder een aantal voor dubbele bewoning, waren door de brand verteerd. Meer dan 130 gezinnen – zo’n 350 personen – waren dakloos geworden.

Onderwijl was een aantal getroffenen tijdelijk in School 58 gehuisvest, die de gemeente inderhaast voor opvang had ingericht. Het overgrote deel van de daklozen werd tijdelijk en zo goed en zo kwaad als het ging door familie en kennissen opgevangen. Als gevolg van de mobilisatie en de oorlogstoestand in Europa waren er weinig bouwmaterialen voorhanden. Overal werden pramen gehuurd, die door de plaatselijke timmerbedrijven van een verhoogde opbouw over het ruim werden voorzien. In het midden van het ruim kwam een houten wand, zodat op een dergelijke praam twee gezinnen tijdelijk onderdak konden krijgen. Ook zijn er hier en daar houten noodwoningen – eigenlijk niet meer dan schuurtjes – getimmerd. Voor noodhuisvesting stuurde de regering evenzo een paar wagons met legertenten. De commissie attendeerde het ministerie er echter op dat ondanks de goede bedoelingen de mensen geen gebruik van de aangeboden tenten zouden maken. De kans op brand in zo’n kleine tent was te groot. De spoorwagons gingen een paar dagen na aankomst in Valthe ongeopend retour.

 

De balans

De trieste balans van de veenbrand was, naast de zestien slachtoffers, zo’n tweeduizend hectare veengrond verbrand. Daarnaast waren zo’n 1500 dagwerk turf en 500 stobbe baggel in vlammen opgegaan. De totale schade werd geschat op ongeveer 800.000 gulden, voor die tijd een werkelijk gigantisch bedrag. Heel Nederland leefde mee met de getroffenen in het rampgebied. Op allerlei manieren werd steun geboden; overal werd geld ingezameld en werden goederen gezonden, zoals kleding en voedsel. Ook een zeer royale Koninklijke gift van 10.000 gulden mocht het ‘Provinciaal comité ter leniging van de noden van de brand’ ontvangen. Een gemeentelijke collecte leverde ongeveer 1100 gulden op.

In het eerste deel van dit uit drie delen bestaande artikel heeft schrijver dezes nogal wat aandacht besteed aan de grote staking van de veenarbeiders, die tot een paar weken voor de veenbrand heeft geduurd. Dat was mede omdat de burgemeester en de arbeidsinspectie er stellig van overtuigd waren dat de oorzaak van de ramp voor een zeer belangrijk deel op de werkstaking in de Valthervenen kan worden teruggebracht. Ook al zou daardoor het ontstaan van de brand niet zijn voorkomen, het is toch zeker dat, indien de veenderijen op de gewone wijze bevolkt waren geweest, de brand niet de omvang zou hebben kunnen aannemen die hij tenslotte heeft kunnen krijgen.

Natuurlijk was de werkstaking van invloed op de uitgebreidheid van de catastrofale veenbrand. Want als de veenarbeiders, zoals gebruikelijk, direct rond Pasen met hun arbeid in het veen waren begonnen, was een groot gedeelte van het bovenveen in het getroffen gebied met natte turf en bagger belegd geweest en had het vuur minder voedsel kunnen vinden. Aan de andere kant zouden er ook meer mensen in het veengebied bezig zijn geweest met werkzaamheden ten behoeve van het droogproces van de turf, wat tot meer slachtoffers zou hebben kunnen leiden.

De directe Valthermondse slachtoffers van de veenbrand werden op vrijdag 25 en zaterdag 26 mei op de begraafplaats te Valthermond-Oost ter aarde besteld. De vrouw van Van der Lei, Janneke Vos, die zeer ernstig was verbrand en die op 27 mei overleed, werd op donderdag 31 mei naar het kerkhof gebracht. Al deze begrafenissen vonden onder overweldigende belangstelling plaats. De namen van de plaatselijke slachtoffers waren Albert Oosterloo (67), Janke Jans de Graaf, echtgenote van Albert (70), Jan Herder (32), Jacoba Medema (31), Roelfina Klein (36), Pieter van der Lei (4), Hermannus van der Lei (5) en hun moeder, Janneke Vos (24).

 

Rechtbank

Hoewel de oorzaak van de desastreuze veenbrand nooit kon worden vastgesteld, moesten er wel personen voor de rechtbank verschijnen. Veenbaas Jan van Dijken en machinist Warrink Warringa werden vervolgd voor het feit dat zij op 21 mei 1917 een stoombaggermachine hadden laten werken zonder voldoende maatregelen tegen het wegvliegen van vonken te hebben genomen, waardoor mogelijk de veenbrand zou hebben kunnen ontstaan. Door vonken uit de stoommachine van Van Dijken waren enkele dagen daarvóór in het veen ook al wat brandjes ontstaan, maar die konden spoedig en zonder veel schade aan te richten worden geblust. Deze roekeloosheid was voor de vervener aanleiding geweest om de gehele arbeidsploeg meteen te ontslaan.

Toch kon de rechter niet anders dan beide mannen vrijspreken, omdat onvoorzichtigheid en het gebrek aan voorzorgsmaatregelen niet konden worden bewezen. Evenmin was aantoonbaar dat de veenbrand door de eerder genoemde baggermachine zou zijn ontstaan.