![]() |
Naar aanleiding van de activiteiten en publicaties afgelopen voorjaar betreffende de veenbrand van mei 1917, afgesloten met een imponerende herdenking op 1 juni op de begraafplaats Valthermond-Oost bij de grafzerken van enkele slachtoffers van de verschrikkelijke brand, leek het me interessant en wenselijk om hieraan een uitgebreid opstel te wijden. Daarin wordt tevens de periode voorafgaand aan deze vele slachtoffers eisende ramp uit de doeken gedaan. De gebeurtenissen in die periode zijn immers zeker van invloed geweest op de uitgebreidheid van de Grote Veenbrand. Doordat het opstel erg lang is, is het in drie delen opgesplitst. Hierbij deel 2.
Nieuwe werkweek
Vol goede moed begonnen de arbeiders op maandagmorgen 21 mei 1917 weer aan een nieuwe werkweek. Hoewel de dag rustig begon, kwam er in de loop van de ochtend een stevige, droge zuidoostenwind opzetten, die het vuur – dat de voorgaande week in de groenstukken had gewoed en geblust scheen te zijn – weer deed oplaaien en het naar de zuiderveenplaatsen verspreidde, vanaf plaats no. 70, en verder naar achteren in de Valthermond. Dat is althans een van de lezingen over het ontstaan van de Grote Veenbrand op die 21ste mei. Maar ook andere activiteiten op het veendek zouden deze veenbrand hebben kunnen veroorzaken. Zoals vonken uit een voor de baggerwerkzaamheden gebruikte locomobiel of een mogelijk niet goed gedoofd koffievuurtje. Achteraf zou zijn gebleken dat het vuur vrijwel gelijktijdig op drie plaatsen zou zijn uitgebroken. Maar naar de juiste oorzaak is men altijd blijven gissen.
Aan blussen van het vuur viel absoluut niet te denken. De straffe oostenwind, in combinatie met het kurkdroge bovenveen, zorgde ervoor dat in korte tijd alles in een grote vuurzee veranderde. De brandende veenvlokken joegen als hagel over het land en overal waar ze neervielen, ontstonden nieuwe brandhaarden.
Rookontwikkeling
Met een vreselijk verstikkende rookontwikkeling stoof het vuur over het land en door de lucht. De wijken en kanalen vormden geen enkele hindernis en het vuur vrat zich moeiteloos een weg door de droge bovenlaag van het veendek. De op het veen aanwezige gereedschappen, planken, baggerbakken, in de wijken liggende houten pramen, bruggen en ook huizen werden een prooi van de brand. Het vuur ging met grote sprongen over het veld. Binnen amper een kwartier stond een complete veenplaats in brand. De mensen zagen de ontwikkeling van het vuur verschrikt en ontzet aan en men begreep dat men ervoor moest zorgen dat men wegkwam uit het brandgebied. Toch probeerden sommigen met pramen en kruiwagens nog een deel van hun huisraad in veiligheid te brengen. Anderen probeerden nog wat meubilair en kleding onder het zand te stoppen of deponeerden het in het kanaal bij hun woning. Ook gooiden sommigen hun dekens en kleding in de regenput, opdat het niet verloren zou gaan.
Maar eigenlijk was er geen tijd om goederen in veiligheid te brengen. Het vege lijf redden, dat was wat telde! Vluchten voor het voortrazende vuur gaf al grote moeilijkheden: het ene moment vlogen de brandende vlokken veen je om de oren, het andere moment werd je haast bedwelmd door de verstikkende rook en kon je amper nog een richting bepalen
Marechaussees
Een deel van de vluchtelingen trok vóór naar de Valthermond of de Tweede Exloërmond, anderen gingen richting Valthe en Exloo. Degenen die door het vuur werden ingesloten, sprongen in het kanaal en overgoten zich telkens met water om zo aan de dood te ontsnappen. De hier ter plaatse gestationeerde manschappen van de marechaussee uit de kazerne voor in de Valthermond aan het Zuiderdiep op de vooraf van plaats 6 hebben tijdens de veenbrand met gevaar voor eigen leven nog vele mensen buiten het rampgebied gebracht. Zo hebben twee marechaussees die hun dagelijkse patrouille te paard deden in het veengebied achter in de Valthermond een grote groep veenarbeidsters gered. De vrouwen waren door het vuur ingesloten. Sommigen stonden al vertwijfeld in het koude water, terwijl andere vrouwen door angst bevangen bijeen op de walkant stonden, Hun lot leek bezegeld, maar hun angstkreten en gegil betekenden hun redding.
Ze trokken daardoor de aandacht van de beide bereden militaire politiemannen, die door de dichte rook zelf al grote moeite hadden om hun weg te vinden. De marechaussees gingen op het geluid van de in doodsangst krijsende vrouwen af en hadden ze al gauw getraceerd. Ze overzagen meteen de penibele situatie. Een van beiden zwom met een touw het kanaal over, knoopte het aan de overkant vast en redde langs deze levenslijn, waarvan zijn collega het andere eind vasthield, de vrouwen uit hun benarde positie. Later dat jaar werd aan beide marechaussees, wachtmeester J. Richtie en marechaussee S. Vogelzang, die toen tijdelijk in Valthermond waren gelegerd, bij Koninklijk Besluit de erepenning voor menslievend hulpbetoon en een loffelijk getuigschrift toegekend.
Schippersgezin
Maar niet iedereen wist aan het vuur te ontsnappen. Achteraf bleken zestien personen bij de catastrofale veenbrand te zijn omgekomen. Acht Valthermonders en tevens acht leden van het schippersgezin van Eibert Brands uit Groningen; het gezin telde twaalf kinderen, maar de oudste zes waren niet meer mee aan boord. De schipper was voor vervener Manting aan het laden aan het Noorderdiep, in de wijk tussen de plaatsen no. 91 en no. 92. Hij dacht dat hij niet voor het vuur zou hoeven vluchten en dat hij en zijn gezin in zijn ijzeren schip veilig zouden zijn. Maar het vuur zette zijn vrijwel geladen schuit eveneens in vuur en vlam en de familie Brands verbrandde levend in hun schip.
Naast de doden waren er velen met zware brandwonden en kampten nogal wat mensen met ademhalings- en longproblemen. Maar niet enkel mensenlevens waren er te betreuren. Ook veel vee, zoals onder meer schapen en geiten, kwam in het vuurgeweld om. Overal in het veld lagen de verbrande karkassen. Binnen één dag verbrandde het gehele bovenveendek in het achterste gedeelte van de Valthermond, zowel op de Noorder- als op de Zuiderveenplaatsen.
Ondergronds vuur
Maar daarmee was de brand niet afgelopen. Ondergronds smeulde het vuur nog vele dagen voort en brak het weer regelmatig op verschillende plaatsen uit. Percelen die in eerste instantie gespaard waren gebleven, stonden nu eveneens volledig in brand. De regen, die eind mei in grote hoeveelheden viel, kwam als geroepen. Toch zou het tot ongeveer 7 juni duren voordat alle vuur volledig was gedoofd. Tijdens de gehele duur van de veenbrend, ruim veertien dagen lang, mocht er in het getroffen gebied niet machinaal worden gebaggerd. Vonken van de locomobiel zouden opnieuw brand kunnen veroorzaken.
(wordt vervolgd)