juni 2007 Widde-Jan

De navolgende mondelinge overlevering zou uit de voorzomer in de jaren vijftig van de negentiende eeuw stammen (1850-1860). De gebeurtenis zou in ons gebied hebben plaatsgevonden, in de omgeving van Valtherdijk, en wel in het Hagelmaatsveen, ongeveer nabij Paardewei’s-dijk. Daar was reeds enige bewoning langs de Valtherdijk, dit vooral tengevolge van de boekweitverbouw op het bovenveen. Dat vond in de negentiende eeuw volop plaats op het nog niet vergraven veenmoeras. In de volksmond heette dit buurtschapje ’t Valtherveen en het verdween weer nadat het gebied was ontgonnen, zo ongeveer rond 1900.

 

Schamele bouwsels

Het waren over het algemeen eenvoudige en schamele bouwsels die daar aan de veendijk stonden. De buurtschap telde slechts een enkel klein boerderijtje, dat toch heel wat leek, zo tussen die meestal uit plaggen en planken opgebouwde woningen, misschien beter aangeduid als keten en hutten. Deze bouwsels werden meestal bewoond door arbeiders die zich met de boekweitverbouw bezighielden. De boekweitpercelen huurde men van het boerschap te Valthe; dat was de vertegenwoordiging van de gezamenlijke eigenaars van de woeste gronden in de marke van Valthe. Het boerschap beheerde onder meer de groenlanden langs de Mussel-A en verhuurde percelen bovenveen voor de boekweitverbouw. Op deze woeste gronden ten oosten van Valthe is in zo’n honderd jaar tijd uit het veenmoeras Valthermond ontstaan. Het volgende voorval moet zijn gebeurd op een mooie zomeravond in juni.

Jan had de gehele dag op het veen gewerkt om in de gebrande akker de boekweit te zaaien en die daarop ingeharkt. Omdat het de hoogste tijd werd dat het zaaien gereed kwam en Jan later die week ook nog gras zou gaan maaien voor een Valther boer in de Musselhooistukken, nabij de Zandberg, was het die dag behoorlijk laat geworden. Het was al na zevenen toen Jan in de hut bij Geese, z’n vrouw, aan tafel schikte voor de welverdiende warme maaltijd. Het bijvoeren van de geiten was al door Geese gedaan, evenals het verstikken van de beesten.

 

Aardappelen

Na de maaltijd ging Jan toch nog maar even naar een bouwperceeltje aan de overzijde van de Valtherdijk, waar hij poogde wat aardappelen te verbouwen. De aardappelverbouw op het veen leverde over het algemeen slechts kleine aardappelen op, maar ze waren wel smakelijk. Zo rond negenen vond Jan het wel mooi geweest voor die dag en hij begaf zich huiswaarts. Onderweg genoot hij volop van de natuur en zag nog net een korhoenhen met haar kuikens in de ruigte verdwijnen. De zon ging mooi roodgekleurd onder en de eerste nevelslierten hingen al boven het veenlandschap. Bij zijn thuiskomst had Geese, die haar man zag aankomen, al een kom koffie ingeschonken. Na het bakkie leut werd dan nog een teller brij gegeten en daarna maakte men zich gereed voor de nacht.

Maar voordat men in de bedstede dook, begaf Geese zich eerst nog naar het huussie om de blaas te ledigen. Hoewel het al bijna duister was, hoefde de olielamp niet mee, want het was volle maan en de nevelslierten vielen nogal mee. Het was echt zo’n avond waarop straks op het bovenveen weer allerlei dwaallichten waar te nemen zouden zijn. Hoewel dat enigszins beangstigend was, leverde het steevast een fascinerend schouwspel op.

 

Vreselijke schreeuw

Terwijl Jan al tot op z’n baaien ondergoed na uitgekleed was en op het punt stond om de legerstede op te zoeken, klonk er plots een vreselijke schreeuw over het schemerende veenland. Jan stond een ogenblik verschrikt en niet-begrijpend voor zich uit te staren, maar al gauw drong het tot hem door dat het Geese moest zijn die de hartverscheurende kreet had geslaakt. Hij spoedde zich dan ook bijna struikelend naar buiten. ‘Waar bist Geese, wat is d’r loos?’ Rondziend bemerkte hij daarop zijn vrouw bij het huussie. Met grote ogen en een spierwit gelaat zag zij angstig het veld in. Praten lukte niet, maar met uitgestoken hand wees Geese naar een bepaald plaats op het veenmoeras. Jan rende naar zijn vrouw toe en greep haar beet. ‘Wat est toch wicht, kom zeg toch wat!’ Hakkelend kwam er dan tenslotte toch enig geluid uit en Jan begreep al gauw dat ze het over een spook had. ‘Kom wicht, dat zal joa wel mitvoalen! Spoken bestoan joa naait meer, dat was vrouger!’

Ondertussen was een aantal buurtgenoten, die eveneens Geeses door merg en been gaande schreeuw hadden gehoord, ten tonele verschenen. Allen wilden weten wat er aan de hand was. Geese poogde aan te geven dat ze, toen ze van het huussie kwam, écht een spook had gezien, op ruim honderd meter van haar verwijderd. Het bewoog zich naar rechts en het was duidelijk in het maanlicht zichtbaar.

 

Buurvrouw

Geert z’n Oaltje, de naaste buurvrouw, sloeg een arm om haar angstig bevende buurtgenoot heen en zei ter geruststelling: ‘Zolst die ’t wel verbeeld hebben door de mistflarden.’ Geese keek kwaad naar haar buurvrouw. ‘’k Heb mie niks verbeeld! ’k Zagt joa duideliek, het was echt ain spook. Mor loaten wie mor noar huus goan, ’t is meurg’n weer vroug dag.’ En toen slaakte Oaltje op haar beurt een bloedstollende kreet en wees hierbij eveneens over het veenlandschap: ‘Nou, kiek den toch!’ Allemaal keken ze verschrikt in de aangewezen richting. En waarachtig: daar bewoog zich, duidelijk voor iedereen zichtbaar, een witte gedaante. Het was werkelijk een angstwekkend gezicht zoals de gedaante zich over het veendek verplaatste en daarbij telkens van vorm veranderde.

Niemand kon aanvankelijk een woord uitbrengen. Toen verbrak Geert de doodse stilte en zei: ‘Loaten wie de kop d’r bie hoal’n. Spoken bestaan joa nait. Wie mout’n ’t te groazen neem’n, as wie d’r gezoamelijk op oaf goan, gait ie wel op de loop.’ Zo gezegd, zo gedaan. De vrouwen kropen angstig bij elkaar , terwijl de mannen op het spook af gingen. Wel hadden ze allemaal iets bij Jan van het erf meegenomen: een riek, een zeis, een bijl of gewoon een stevige stok. Onderwijl kwam ook het spook duidelijk richting het veenvolk. Angstig keken de mannen elkaar aan. Plotseling leek het alsof het spook de oren spitste. Het kwam gezwind in een vrijwel rechte lijn op Jan af. Terwijl de andere mannen angstvallig een paar stappen terug deden, stond Jan als aan de grond genageld.

 

Gloeiende ogen

Op amper een meter van Jan verwijderd, blijft de gedaante staan. Twee gloeiend groene ogen staren door een spleet in het omhulsel Jan aan. Hij was ervan overtuigd dat zijn laatste uur had geslagen. En toen klonk er plotseling vanuit het witte gewaad ‘Mèèèhh! Mèèèhh!’ En Jan, totaal overdonderd, herkende het geluid direct: het moest zijn eigen geit zijn, die in een soort wit gewaad voor hem stond en nog steeds mekkerde van herkenning. Ook de andere mannen en de vrouwen kwamen nu nader. Onderwijl ontdeed Jan de geit van zijn omhulsel en vroeg zich daarbij af hoe het mogelijk was dat het dier was losgeraakt en dan ook nog eens in een groot wit gewaad was terechtgekomen. Maar hij zag al spoedig de ketting met stik aan de halsband van de geit hangen en begreep hieruit dat het beest zich los moest hebben getrokken. Maar dan dat witte omhulsel? Dat loste zich echter ook al snel op; vrouw Buis herkende het gewaad als haar laken, dat ze – zo meende ze – op de bleek had liggen.

De spanning was nu duidelijk van de mensen afgevallen en de eerste honende opmerkingen werden al gemaakt. Geert stelde voor om ter gelegenheid van de goede afloop een borrel te gaan nemen in de stille knip van Willem Veen. Terwijl de vrouwen op huis aan gingen, begaven de mannen zich naar het boerderijtje, annex de knip van Willem en bestelden daar een borrel. Geert greep zijn glas en riep: ‘Op de widde van Jan!’ Lachend sloeg daarop iedereen zijn glas achterover. Daar men op één been niet kan lopen, werd al gauw een volgende borrel besteld. Hierbij proostte Dirk met de woorden: ‘Op dien widde Jan!’

 

Blanke borrel

En zo ontstond vanaf dat moment de volksnaam in het Valtherveen voor de blanke borrel in het cafeetje van Willem en zijn vrouw Evertje: Widde-Jan. Na Willems dood in 1886 en het geleidelijk verdwijnen van het buurtschapje tengevolge van de vervening was zo rond 1900 al spoedig tevens de volksnaam voor de borrel uit de spreektaal verdwenen. Toch hoorde men tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw nog enkelen van Widde-Jan spreken. Maar het verhaal rond het ontstaan van deze benaming voor de borrel was nog slechts aan een enkeling bekend.