Voor de drinkwatervoorziening van de bevolking hier ter plaatse waren vóór 1900 velen gewoon op kanaalwater aangewezen. De meeste veenbewoners groeven echter toch wel een welput nabij de woning, die een betere kwaliteit en dus gezonder water opleverde. Een welput graven en opbouwen was een heel karwei. De diepste en wijdste welput in de Valthermond is toentertijd nabij de 72e Laan gegraven, op het vooraf van veenplaats no. 71, direct aan de Middenweg. Deze tijdelijke veenweg lag op de scheiding van het latere Noorder- en Zuiderdiep. Aan deze weg over het bovenveen woonden feitelijk de eerste bewoners van onze veenkolonie. Na vervening verhuisde men in de loop van de tijd naar het Noorder- of Zuiderdiep, of trok als verveners verder naar elders. De Middenweg werd later een scheidingssloot tussen de vooraffen van de beide diepen. Aan de hiervoor genoemde welput kleeft een heel verhaal. Beter gezegd: een droevige gebeurtenis bepaalt het verhaal van de daar gegraven put.
Eind jaren tachtig van de negentiende eeuw hadden Pieter en zijn vrouw Antje met hun drie kinderen daar een klein en eenvoudig veenarbeiderswoninkje betrokken in het nog vrijwel maagdelijke veengebied, waar de veenboer voor wie ze werkten een aanvang ging maken met de voorbereidende werkzaamheden voor het vergraven van zijn daar gelegen veenplaats. Pieters vrouw haalde het water voor het huishoudelijk gebruik als wassen, koken en de koffie gewoon uit het kanaal, zoals zovelen. Maar Antjes vurige wens was dat Pieter een welput bij hun woonstede zou graven. Ze had de plaats van de put al bepaald: vlakbij de woning en in de schaduw van een daar staande, nog jonge berkenboom.
Hoewel Pieter een harde werker was, duurde het maanden voordat Antje hem zo ver had gekregen dat de welput ook werkelijk werd gegraven. Pieter vond het kanaalwater goed genoeg; vele anderen deden het er ja ook mee! Maar Antje was blijven aandringen. ‘Doe het dan voor de gezondheid van onze kinderen!’ zei ze vaak. Of Pieter nu overtuigd was geraakt of dat hij van het gezeur van zijn vrouw af wilde zijn, doet nu niet ter zake, maar op een avond in juni, na de dagelijkse veenarbeid, begon hij met de werkzaamheden voor de welput.
Nu kun je niet zo maar een rechte koker naar onderen in de grond graven, dat wist Pieter ook wel. Hij begon dan ook met een behoorlijk wijd gat dat, hoe dieper hij groef, steeds nauwer werd. Zijn naaste buurman Gerrit kwam eens zien wat Pieter ondernam en zei tegen hem: ‘Die wand is te steil.’ Knorrig antwoordde Pieter daarop: ‘Het is schuin genoeg, het komt wel goed zo.’ Toen Pieter na twee dagen, of beter gezegd: na twee avonden graven op het grondwater kwam, liet hij rondom, onder in het gat, een klein banket staan Daarna nam hij een Amerikaanse spekkist, sloeg de bodem eruit en maakte er met een aantal schenkels een ronde kraag op, zoals vrijwel overal in het veen werd gedaan als er een welput werd gegraven. Daarna plaatste hij de kist, nadat die met behulp van een touw langzaam en behoedzaam langs de schacht op de bodem was gebracht, in de al gegraven ruimte tussen het banket.
Pieter groef dieper en dieper. Het grondwater liep van alle kanten toe. Ook Antjes hulp werd nu noodzakelijk: zij takelde het zand en het water met een emmer naar boven. Omdat het al behoorlijk begon te schemeren, besloten beiden om het graafwerk de volgende avond af te maken. Antje vond weliswaar dat de put al meer dan diep genoeg was en hoewel Pieter het min of meer met haar eens was, wilde hij de volgende avond toch nog een paar steek dieper graven. ‘Dan ben ik ervan overtuigd dat onze put nooit droog zal komen te staan’, verklaarde hij zijn eega. ‘We hebben dan de diepste en beste put van de Valthermond. Nu we toch bezig zijn, komt het op een steek meer of minder niet aan.’
De volgende avond zouden ze dan ook meteen een begin maken met het vleien van de turf op de ring van de spekkist.De daarvoor benodigde grauwe turf had Pieter van de veenbaas voor een schappelijke prijs gekocht; hij had de turf al in een bult achter zijn woning staan. Ja, het was maar goed dat hij een ruime hoeveelheid had ingekocht, want de putschacht zou wel zo’n vier tot vijf meter hoog worden. De turf diende niet alleen als wand, maar filterde eveneens het grondwater. Het uitgegraven witte zand, dat later in een brede laag om de turfwand zou worden gestort, had eveneens deze filterfunctie en verstevigde daarbij tevens de putwand. Die avond werd allereerst het toegestroomde welwater met de emmer uit de put getakeld, waarna Pieter het laatste zand kon uitgraven.
Toen het graven zo goed als gereed was en Pieter de bodem nog enigszins vlak afwerkte, toog Antje nog snel even naar het ‘huussie’ voor een flinke plas. Nog maar net daar gezeten, hoorde ze een zoevende, doffe plof. Antje schrok ontzetten, want ze begreep meteen wat er gebeurd was: de hoge zandkoker was vrijwel zeker ingestort. Met haar onderbroek half om het gat kwam ze naar buiten gesneld en overzag ontdaan het gebeurde: Pieter was onder meer dan drie meter zand bedolven. Roepend en gillend snelde Antje naar haar naaste buren. Buurman Gerrit rende daarop meteen naar de plaats des onheils en begreep daar dat hulp Pieter niet meer zou baten. Trientje, Gerrits vrouw, trachtte Antje te kalmeren en schonk haar een flinke kom brandewijn in tegen de schrik en Gerrit haalde ondertussen een aantal mannen uit de buurt bij elkaar. Gezamenlijk ging men aan het graven om Pieter uit zijn put, of beter gezegd: uit zijn graf te bevrijden.
Meer dan een volle dag zijn de mannen bezig geweest om Pieter uit het zand te halen. Een van de mannen heeft nog geopperd om hem daar maar te laten zitten, het gat te dichten en er een grafpaaltje op te zetten. Maar daarvan wilde de vervener, evenals de in kennis gestelde veldwachter niets weten. En Antje begon bij het onzinnige voorstel nog harder te schreien. Ze zou er geen dag langer durven wonen, terwijl haar man staande op het erf was begraven; de rillingen liepen haar over de huid. Met zeer veel moeite en in haast getimmerde noodringen die de wanden moesten steunen, kreeg men geleidelijk het lijk van Pieter vrij en kon men hem naar boven halen. ‘Wat ook ja een krankzinnig diepe put!’ liet de veenbaas zich ontvallen. ‘Ja, en dat niet alleen! Ook de wanden waren veel te steil; ik heb nog duidelijk gewaarschuwd’, zei Gerrit daarop. Maar dat hielp Pieter nu niet meer. Hij werd enkele dagen later voor in de Valthermond op de begraafplaats aldaar wederom onder zand bedolven, doch nu in een gat van geringe diepte.
Antje bezat toen een put zoals er in de wijde omgeving geen tweede was, groot en diep. De kerels die Pieter hadden uitgegraven, hadden meteen van de turf die Pieter daartoe toch al had staan de put opgebouwd. De grote hoeveelheid grauwe turf bleek echter bij lange na niet voldoende, zodat de veenbaas nog een praam turf bijleverde om de put af te kunnen laten bouwen. En zo kreeg Antje een zeer wijde en ook ontzettend diepe put.
Maar ze hoefde haar put niet meer. ‘Gooi hem maar dicht!’ riep ze schreiend. ‘Jullie denken toch niet dat ik ook maar één slok water drink uit de put waarin mijn man is omgekomen?’ ‘Ben je gek!’ zei Gerrit. ‘Je bent toch niet vies van je eigen man?’ En dus bleef de put de put en gaf vele tientallen jaren volop goed en schoon water. De Pieterput, zoals de put in de volksmond meteen werd genoemd, is pas in het tweede decennium van de twintigste eeuw geslecht, toen rond 1915 Antjes woonstede aan de middenweg werd afgebroken. Antje was kort daarvoor bij haar dochter en schoonzoon aan het Zuiderdiep ingetrokken.