150px-grootste_hunebed_van_nederl[1]
april 2007 Zoorholt

Het is een oud volksgebruik dat hier in het toenmalige veenkoloniale Valthermond vrijwel niet heeft plaatsgevonden: zoorholt. Allereerst omdat het een meer Drents gebruik was, terwijl hier ter plaatse de afkomst van de bevolking overwegend Gronings was en zoorholt – voorzover de schrijver bekend is – geen Gronings gebruik was. Ten tweede omdat zoorholt eigenlijk als gebruik had afgedaan. Het was immers een ontaard volksgebruik, of beter gezegd: volksgericht.

 

Onvruchtbaar

Wat hield zoorholt nu eigenlijk in? Wanneer een jongen en een meisje al geruime tijd serieus verkering hadden, wisten ze van elkaar wel waar ze aan toe waren. Raakte de verkering echter uit en trouwde de jongen binnen een jaar met een ander meisje, dan werd er gevoeglijk van uitgegaan dat het eerste meisje onvruchtbaar was. Voor de dorpsjeugd was dat het teken dat het zoorholt naar het betreffende meisje moest worden gebracht. (‘zoor’ betekent ‘dor’ of ‘dood’.) Oorspronkelijk werd dan een forse dode boomstam of paal, met oude, afgedankte kleding aangekleed, door de jongelingen van het dorp met veel lawaai en luid gezang de volgende zondag vroeg voor het huis van het betreffende meisje geplaatst en stukken dood hout neergegooid. Waarbij dan tevens werd verwacht dat de jongemannen een borrel aangeboden kregen.

Voor het meisje om wie het ging en ook voor haar ouders was dat alles zeer vernederend. Veel mensen vonden in de loop van de tijd een dergelijk volksgebruik een beschamende en onkiese vertoning en mede daardoor was zoorholt halverwege de negentiende eeuw al vrijwel in onbruik geraakt. Toch is er door overlevering een geval van zoorholt in Valthermond bekend. Het voorval zou rond 1880 hebben plaatsgevonden en op touw zijn gezet door enkele ‘zaand-drentsche’ jongeren, zoals de arbeiders die van de Hondsrugdorpen afkomstig waren hier in het veen werden genoemd.

 

Huwelijksaankondiging

Op de eerste zondag in april van dat jaar kondigde de voorganger van de geloofssamenkomst in het logement van Burghgreaf, dat op het vooraf van plaats no. 2 aan het Noorderdiep stond, het huwelijk van Pieter en Hendrika aan. Ook de inzegeningsdienst zou in dat logement plaatsvinden, dit uiteraard omdat er voor de gelovigen in Valthermond nog geen godshuis was gerealiseerd; de kerk op plaats no. 11 aan het Zuiderdiep werd pas enkele jaren later, in 1883, ingewijd.

Een paar jongens die ’s morgens de samenkomst bij Burghgreaf hadden bezocht, ontmoetten elkaar ’s middags bij het café van Pinkster (later heeft de familie Többen hier jarenlang een cafébedrijf bestierd) en praatten daar naar aanleiding van het voorgenomen huwelijk van hun vriend Pieter over het oude volksgebruik zoorholt. Dat Pieter en Hendrika gingen trouwen, hadden ze al wel zien aankomen, mede doordat aan Hendrika duidelijk te zien was dat ze in verwachting was geraakt. Nog geen jaar terug had Pieter echter nog verkering met Grietien gehad, een dochter van een zaand-drentsch echtpaar, die met haar ouders en drie broertjes nabij de 24e laan op het hooge (bovenveen) woonde. En dus, zo bedachten de jongelingen, moest Grietien volgens oud gebruik ‘het zoorholt bracht word’n’.

 

Komende zondag

Hoewel binnen de groep jongemannen niet iedereen stond te juichen, werd toch besloten dat komende zondagmorgen in alle vroegte het zoorholt voor de deur van Grietiens ouderlijke woning diende te staan. Als zoorholt, zo had men bedacht, konden kainbongels zeer goed dienen en die waren hier in het veengebied meer dan genoeg voorhanden. (Kainbongels zijn dode wortelresten van bomen die op het veenmoeras hebben gestaan en die met de vervening weer uit de bodem waren vrijgekomen.)

De dag vóór het zoorholt, op zaterdagmiddag, werden door de jongeren vanuit verscheidene veenputten in Valthermond drie boerenwagens vol kainbongels opgehaald. Die zouden op zondagmorgen al rond de klok van vijf voor de woonstede van Grietien worden gedeponeerd. In alle vroegte waren die zondagmorgen de jongemannen al op pad om de volgeladen wagens te halen. Dat gebeurde niet in alle stilte. Nee, integendeel: men was met veel lawaai en gezang op pad en dat de jenever (dé drank in het veen) daarbij rijkelijk vloeide, zal duidelijk zijn. Al vóór vijven was men met het zoorholt op de plaats van bestemming en werden onder veel kabaal de kainbongels in de voortuin en op het pad naar de woning gestort.

 

Voor Grietien

De ouders van Grietien schrokken wakker van de herrie voor hun woning. Vader Berend sprong reeds uit de bedstee om te zien wat er aan de hand was, maar Trude, zijn vrouw, trok hem aan zijn hemdslip terug en zei: ‘Hier blijven! Dat is waarschijnlijk voor ons Grietien bedoeld. Waarschijnlijk is dit zoorholt als ik me niet vergis. M’n ouders hebben het er vroeger wel eens over gehad, maar ik heb het tot op heden nog nooit echt meegemaakt. De rust zal zo wel terugkeren, hopelijk slaapt ons Grietien er doorheen.’ Maar dat was ijdele hoop, want Grietien lag hevig snikkend in haar bedstee in de schuur en had drommels goed in de gaten wat er aan de hand was, want ook zij kende dat oude volksgebruik.

Plotseling klonk er wild gebonk op de deur. ‘Nou zal ik er toch wel uit moeten’, zei Berend verontrust. ‘Wat zouden ze willen?’ Trude maakte Berend daarop duidelijk dat de jongens waarschijnlijk naar oud gebruik een borrel verlangden.

Berend werd kwaad. ‘Wat? Eerst ons te schande maken en dan ook nog drank aanbieden? Dat nooit!’ Maar Trude was al uit de bedstee gestapt en greep een kruik jenever uit de kast, waarna ze tot haar echtgenoot zei: ‘Toe, breng dit maar naar die jongens. Zoveel eerder is de rust terug.’

Berend besefte dat hij niet veel keus had, begaf zich in zijn lange ondergoed naar de huisdeur en reikte de opgewonden en opgetogen jongemannen de kruik jenever aan. En, zoals Trude al veronderstelde, keerde de rust spoedig weer.

 

Boom van een kerel

Maar dat was niet het geval in de woning. Grietien zat hevig huilend aan de grote tafel, waar Trude alle moeite deed om haar geëmotioneerde dochter te troosten en te kalmeren. Onderwijl was Berend naar buiten gegaan en zag wat er allemaal gebeurd was. Hij schrok hevig toen hij een boom van een kerel stokstijf voor het huis zag staan. ‘Wat moet je hier nog?’ stotterde hij. ‘Weg wezen! Is het nog niet erg genoeg?’ Maar toen zag hij dat de kerel in werkelijkheid een houten paal was, gehuld in jas en met een pet op. Berend wilde alles meteen opruimen en daarom ging hij weer naar binnen om zich aan te kleden. Maar Trude maakte hem duidelijk dat hij die paal beslist níet moest weghalen, anders zou er de volgende zondag zeker de dubbele hoeveelheid zoorholt om hun woning liggen.

Toen die zondagmorgen tegen tienen de buurtgenoten naar het geloofsonderricht gingen, zagen ze al van verre dat er iets bij de woning van Berend en Trude aan de hand was; sommigen waren trouwens ook al door hun zonen ingelicht. Het gezin van Berend, hoewel trouwe bezoekers van de geloofssamenkomsten, besloot om deze dag maar zoveel mogelijk thuis te blijven en zo verdere commotie te voorkomen. Grietien bleef die dag echter ontroostbaar en barstte steeds weer in tranen uit. Ze was er vast van overtuigd dat een huwelijk voor haar uitgesloten was en dat ze een oude vrijster zou worden. Het zoorholt maakte immers mogelijke toekomstige minnaars duidelijk dat, als ze met het betreffende meisje zouden trouwen, het huwelijk zeer waarschijnlijk kinderloos zou blijven. (Hier in het veen was het voor echtparen heel belangrijk dat er kinderen waren, zowel voor een voldoende bestaan in het veenwerk als voor hun levensavond.) ’s Anderendaags had Berend met behulp van buurtgenoten de rotzooi opgeruimd en de oude polten in de kachel verbrand.

 

Acht kinderen

Het leven van alledag ging gewoon weer verder. Pieter en Hendrika kregen een flinke dochter, maar daarbij is het ook gebleven. Daaromtrent gingen later dan ook weer allerlei geruchten, temeer doordat drie jaar later ook het leven voor Grietien totaal was veranderd. Er was wel degelijk een man die met haar het leven wilde delen en dat niet alleen: Grietien was ook nog eens in blijde verwachting! Hoewel het leven in het veen zwaar was en zeker niet over rozen was gegaan, konden Grietien en haar man Rieks hun vijfentwintigjarig huwelijksfeest vieren in de grote zaal van Schuringa bij de Bakkerslaan (nu Mondenweg) met acht kinderen – merendeels al met partner – en vijftien kleinkinderen. Dat ergerlijke en kwetsende zoorholt was hier dus beslist niet op zijn plaats geweest...