zwemstee noorderdiep 176_bewerkt-1
Muizenissen

Op de foto van de Valthermondse jaarkalender zie ik onbezorgde koppies van zwemmers in het Noorderdiep. Het is 1954, het jaar dat mijn ouders trouwden, het jaar voordat ik geboren werd. Dat is te zien aan de badmutsen en functionele badpakken van de meisjes en aan de foto in zwart-wit. En aan het Noorderdiep zelf natuurlijk, een brede stroom water en in tegenstelling tot de naam niet zo erg diep, zo te zien. Een moment in de tijd, gevangen in dat ene stilstaande beeld. Mensen gevangen in dat ogenblik van eeuwige jeugd, een bevroren scene buiten de tijd. Geen veroudering, niets anders dan dit gezellig samenzijn in het water op een mooie zomerdag. Zo is het altijd op foto's in zwart-wit en sepia: bevroren momenten die een prettig weemoedig gevoel van nostalgie oproepen naar een tijdperk waarin alles zacht en zorgeloos lijkt te zijn.

Maar in het echte leven van toen bestonden deze mensen in kleur. Er waaide wellicht een briesje waarin de bladeren van de bomen ritselden en de stroom van het Noorderdiep zachte kabbeltjes maakte; beweging van koel water om benen en voeten die nu niet zichtbaar zijn. Tenen die zich spannen voor houvast in de glibberige bodem. En na de foto kwam het moment dat ieder op de oever klom en huiswaarts ging, ieder in z'n eigen leven, dat helemaal niet zo zorgeloos geweest hoeft te zijn als dat ene moment op die foto in zwart-wit. Dat is echt. Dat is de werkelijkheid.

In mijn werkelijkheid besta ik ook in kleur, en op deze zonnige nazomerzondagmiddag verheug ik me in de ruige wolkenluchten van ons fenomenale uitzicht, waar ik nooit meer onbevangen naar kan kijken sinds ik weet dat er mensen zijn die monsterlijke bouwwerken in ons blikveld willen plaatsen. Grote zorgen op de achtergrond van mijn gedachten en altijd op de voorgrond als ik naar buiten kijk.

Kleine zorgen over een mysterieus geluid van piepend geknars in een hoekje boven mijn bureau. Ik kan niet meer ontsnappen aan dat irritante krassende geknetter waarvoor ik geen oorzaak vind. ‘O jee,’ zegt Ton, ‘het zullen toch geen muizen zijn?’ Voor onze deur is het koren net geoogst en had iemand ons niet verteld dat je dan een grote kans op muizen had?

Op de gastenverdieping zijn de verpakte koekjes, die daar liggen voor plotselinge knaagbehoefte van gasten, opengemaakt en opgeknaagd. Er ligt een soort van hagelslag op de nachtkastjes en ook op de hagelwitte gastenbadjassen. Minuscule gele poepvlekjes helaas, alles de was in. Alsof ik niet genoeg te doen heb in mijn leven. Diezelfde avond zie ik een grote grijze muis diagonalen hollen door de woonkamer.

Nu staan er dus bij ons overal bakjes roze hagelslag waar je als muis hartstikke dood van gaat, en er hangt een hightech ultrasonoor apparaat dat muisverjagende golven en geluiden door de leidingen stuurt als ik de verpakking moet geloven. Het is afwachten.

Grote en kleine zorgen, het levende leven in kleur. Doe mij soms maar zo'n heerlijk bevroren sepiamomentje.