|
|||
Mei 2011 Imkerij
|
|||
Imkerij
‘Uutgestrekte haaidevelden
Dekten vrouger hier ’t laand;
Sums wat eldern, den weer rusken
Gruiden aan de poulenraand.
Vossen, ainden, hoazen, knienen
Woonden in dit paradies.
Haaideschoapen, niev’re iemen
Blêrden, zoemden hier heur wies.’
Honderden iemekorven
Een romantische dichter beschouwde destijds op die manier het veenlandschap van Kanaalstreek, Odoorner- en Valthervenen. Eén aspect van zijn gedicht was wel degelijk een feit: ‘Niev’re iemen zoemden hier heur wies’. Vooral op het hoogtepunt van de veenboekweitverbouw op het Valtherveenmoeras, globaal de periode van 1870 tot 1890, stonden er elk jaar honderden iemekorven op het nog uitgestrekte veenmoeras. Wel had de imker hiervoor van de Valtherboermarke een vergunning nodig om de korven in het veenmoeras te mogen plaatsen; de kosten bedroegen toen tien cent per korf.
Juli was de bloeitijd van het veenboekweit. De boekweitakkers op het hoogveen veranderden in een bloeiende zee van witroze bloemen. De boekweittakken verrukten het oog en streelden het reukorgaan. Vanuit de bijenkorven aan de rand van de akkers vlogen de bijen af en aan om de honing te verzamelen; het was een en al gezoem en gegons.
Onmisbaar
Voor de imker waren de honing en de was van groot belang, maar voor de boekweitboeren waren de bijen mogelijk nog belangrijker. De bijenhouderij was voor de boekweitteelt onmisbaar. De opbrengst werd bepaald door de mate van bestuiving. Een boekweitveld met bijenkorven kon wel een dubbele oogst opbrengen ten opzichte van een boekweitakker zonder de aanwezigheid van bijenkorven. Veel boekweitboeren waren dan ook zelf imker of kenden wel iemand die zijn korven bij hun akkers wilden plaatsen. Het is dan ook geen wonder dat vele keuters op het bovenveen er enkele bijenkoloniën op na hielden en er bij een normale zomer een flinke duit bij verdienden met de door de bijen verzamelde honing en was.
De imkerij was een beroep dat van vader op zoon overging en de kennisoverdracht was daarbij van groot belang. Kennis van het gedrag van bijen en jaren praktijkervaring bepaalden de kwaliteiten van de imker.
Braamstengels
Veel kosten waren aan het beroep van imker niet verbonden. De korven waren eigen fabricaat en de benodigde grondstoffen ervoor waren voldoende voorhanden: roggestro en braamstengels. Die loten van braamstruiken dienden als verbindingsmateriaal; ze waren ongeveer een pink dik en een meter of twee lang. De stengels werden vóór gebruik eerst gespleten. Dat gebeurde met een zelf vervaardigd apparaatje: een stukje hout en een kapot mes. Alleen nog wat vlechtwerk en men had een bijenkorf vervaardigd.
Het vlechten van de korven gebeurde in de winter, in de woonkamer bij het vuur. En kon dat niet bij dag, dan gebeurde het wel ’s avonds. Geen licht? Geen nood! Het kon wel op het gevoel of bij het geringe schijnsel van het hout- of turfvuur. Er werden niet alleen korven, maar ook opzetten gevlochten: ringen van zo’n vijftien centimeter doorsnee, die bij een gunstig honingjaar dienden om de korven te verhogen.
Bijenstal
Bij zijn woning had de imker een bijenstal gebouwd, waar de bijen overwinterden. Zo’n bijenstal, hoe eenvoudig ook, vergde wel de nodige zorg om de bijenvolken tegen strenge vorst te beschermen. Het was een van wat planken getimmerde ruimte van ongeveer een meterdiep en aan de achterzijde ook een meter hoog. De open voorzijde, op het zuiden gericht, had een hoogte van circa anderhalve meter. Het dak was meestal van dakpannen voorzien en de zon moest in deze winterhuisvesting zoveel mogelijk toegang hebben.
Om de bijen tegen de vorst te beschermen, werden ‘iemedekens’ gebruikt. Ook dat waren natuurproducten: onkruidsoorten die hoofdzakelijk in ondiepe plassen in het hoogveenmoeras groeiden. Ze werden ‘ladde’ genoemd; deze planten konden zich tot dekens van wel tien centimeter dik vormen. In de nazomer werden de plekken opgezocht waar deze iemedekens groeiden, werden ze in stukken van zo’n een bij twee meter gesneden en op het veld te drogen gelegd. De waterplanten waren als vilt ineen gegroeid en waren na de droging slechte warmtegeleiders. Wanneer ’s winters de bijenkorven in deze dekens waren gewikkeld, waren de korven tot ongeveer min twintig graden tegen bevriezing beschermd.
Dodenproef
De imker liet slechts een paar korven, de beste volken, overwinteren. Na de winterrust werden de bijen eind februari, begin maart weer actief, als het gele stuifmeel van de katjes (hazelaar) gaat stuiven. Ook in het Valtherveenmoeras stonden volop hazelaarsbosjes. Rond die tijd legde de bijenkoningin ook haar eerste eitjes. Na de winter deed de imker de ‘dodenproef’ op de korven. Dat wil zeggen dat hij tegen de korf ging tikken. Hoorde hij een duidelijk en krachtig gesuis, dan bevond zich een gezond en sterk volk in de korf. Hoorde hij echter een zacht ‘geklaag’ dat eindeloos leek te duren, dan was het voor de imker duidelijk dat er veel dode bijen in deze korf waren. Daar was dan ook zeker de koningin gestorven.
Nu was het zaak om de overgebleven bijen bij een ander volk onder te brengen. Omdat ieder volk zijn eigen geur heeft, worden vreemde bijen door een bijenvolk niet geaccepteerd. Om de vreemdelingen toch in een andere korf te krijgen, besprenkelde de imker het restvolk met wat suikerwater en veegde de bijen met een veer in de korf van een ander volk. Door hun zoete geur werden de bijen niet verjaagd, maar door het andere volk geaccepteerd.
Stamphoning
Voor de imkers in het veengebied was, zoals ik al meldde, de boekweitdracht en daarna – zij het in mindere mate – de heidedracht van belang. Hun imkermethode was hierop ingesteld. Door de bijen in het voorjaar met stamphoning te voeren, een mengsel van honing, stuifmeel en was, werd het broednest snel uitgebreid en werden de zwermen al vroeg actief. Door de korven onderling te verplaatsen, het omzetten, bereikte de imker dat alle volken ongeveer even sterk waren en vrijwel gelijktijdig gingen zwerven.
Omstreeks juli werden de korven bij nacht of ’s morgens heel vroeg bij de boekweitakkers neergezet. Tijdens het vervoer werden de vlieggaten dichtgestopt. Bij vervoer overdag bestond het gevaar dat de temperatuur in de korven te hoog zou oplopen, waardoor de honing en de was zouden beginnen te smelten, met alle gevolgen van dien voor de bijen. Nu de boekweitvelden begonnen te bloeien, konden de bijen volop aan het werk. De nectar werd ijverig uit de bloem van de plant gezogen en naar de korf gebracht.
Geslacht
Meestal werden na de boekweitbloei de korven leeg gemaakt (‘geslacht’). De bijen werden daartoe met behulp van rook tijdelijk verdreven en zo konden de honingraten uit de korven worden gehaald. Na de heidebloei werden de meeste korven definitief geslacht. De bijen werden met rokende zwaveldoekjes gedood. Slechts enkele korven, die met de beste bijenvolken, liet de imker overwinteren.
Een enkele imker verkocht de uitgesneden raten rechtstreeks aan opkopers, maar de meesten hadden wel een honingpers en verwerkten de inhoud van de korven zelf, wat ook gunstiger voor de financiële opbrengst was. De losgesneden en daarna fijngestampte honingraten werden in een van het haar van een paardenstaart gemaakte zak gedaan en onder de pers gelegd. Door de druk stroomde de honing langzaam via een goot in een onder de pers geplaatst vat. De uitgeperste raten, die dan nog een grote hoeveelheid zoetstoffen bevatten, werden onder toevoeging van wat water in een grote kookpot gedaan en aan de kook gebracht. Door het koken kwam de was bovendrijven; die kon daarna worden afgeschept en in vormen gegoten.
Mede
Het overgebleven vocht in de kookpot werd door een fijne zeef in een emmer gegoten. Nadat het enkele dagen had staan gisten, werd het in kannen en kruiken getapt. Men had dan een zelfgemaakte lekker zoete drank met een licht alcoholgehalte van ongeveer tien procent. Deze drank, mee of mede genoemd, werd tijdens visites met graagte door vrouwen gedronken. In het Valtherveengebied is, nadat de boekweitverbouw als gevolg van de vervening van de woeste gronden tot een einde was gekomen, de imkerij bij gebrek aan bestaansmogelijkheden vrijwel geheel ter ziele gegaan.
Jacob Westendorp