![]() |
door Jacob Westendorp
De korenakkers waren voor de boer die hier in de veenkoloniën een gemengd bedrijf bestierde van groot belang. Regelmatig ging hij op het land een kijkje nemen om zich van de stand van het gewas op de hoogte te stellen. Veelal liep de boer ook op zondag samen met de vrouw over de laan langs de wijk de boerplaats(en) af om de groei van de landbouwproducten in ogenschouw te nemen.
Veertien dagen
De boer liep, zoals toen het gebruik was, voorop en de vrouw volgde hem op een afstand van enkele passen. Af en toe hield men halt om rond te kijken en de gewassen te beschouwen. Er bestond al een heel oud rijmpje dat op de groei van het koren sloeg:
Veertien dagen groeien,
Veertien dagen bloeien,
Veertien dagen striepen,
Veertien dagen riepen.
In dit versje komt tot uitdrukking dat het koren in mei, rond zogenoemd oud-mei (de twaalfde van die maand) snel begint te groeien; de aren schieten omhoog. Daarna komt het koren in bloei, wat zo’n veertien dagen aanhoudt. Vervolgens worden in enkele weken de korrels gevormd, waar dan een roodachtige streep overheen loopt (striepen) en tenslotte wordt het koren in ongeveer veertien dagen rijp. Een en ander was natuurlijk afhankelijk van de weersomstandigheden.
De in het rijmpje genoemde perioden van veertien dagen zijn niet altijd in overeenstemming met de werkelijkheid, maar dat is ook niet zo erg. Het ging er natuurlijk maar om dat de oogst een goede opbrengst gaf.
Kinderschrik
Het was de kinderen streng verboden om zich in het korenveld te begeven. Bij de korenverbouw was enkele decennia terug niet alleen het graan, maar ook het stro van grote waarde. De akkers hadden dan ook veelal een gewashoogte van zo’n 1,20 tot 1,50 meter, feitelijk een ideale plek voor kinderen om te spelen. Maar dat zou voor de boer een flinke schadepost betekenen, door het vertrappen van de halmen en daardoor het rotten van het graan. De kinderen werden daarom bang gemaakt voor het roggewiefien. Oorspronkelijk was dat de roggegeest, de elf die volgens de overlevering het koren beschermt. Later werd het roggewiefien echter als kinderschrik opgevoerd. Die was bedoeld om, evenals vele andere soorten kinderschrik, zoals de weerwolf, de boesjeude,de sokkeraaiwiefies en de kafberen, kinderen ervan te weerhouden iets te doen wat gevaarlijk of schadelijk is. Daarom werd de kinderen het verhaal van het roggewiefien verteld. Het zou een boze, behekste vrouw zijn die zich in de korenvelden verschanste en die, als ze de kans kreeg, de kinderen meevoerde naar een donker, onbekend rijk. Dus was het de kinderen geraden om buiten de korenakkers te blijven!
De een vertelde het verhaal van het roggewiefien nog dreigende dan de ander. Maar hoe het verhaal ook werd verteld, het was voor de kinderen allemaal even schrikaanjagend; ze hadden dan ook veel ontzag voor het roggewiefien. Een korenakker betreden, was er dus ook niet bij. Het verhaal werd nog tot in de jaren vijftig van de afgelopen eeuw in boerenfamilies aan jonge kinderen verteld.
Klein Grietien
Een roggewiefien-verhaal dat door een boerenfamilie in Vetstukkermond (2e Valthermond) al gedurende vele generaties werd verteld, wil ik graag doorgeven:
[Marian, een iets ander lettertype of corps voor het verhaaltje?]
‘Klein Grietien plukt langs de rand van de korenakker van haar ouders de mooie helderblauwe roggebloem; dat is de korenbloem. Ja, ze wil haar moeder verrassen met een flinke bos bloemen. De her en der langs en tussen het graan groeiende plant heeft een grote aantrekkingskracht op het kind. Al verzamelend en opgaand in haar bezigheid vergeet ze helemaal dat ze zich niet in het gewas mag begeven. De wens om moeder te verrassen, doet haar vergeten waarvoor haar ouders haar zo vaak hebben gewaarschuwd. Als ze voldoende bloemen heeft verzameld en naar huis wil terug keren, beseft ze dat ze in de korenakker is verdwaald. Vertwijfeld roept ze om haar ouders, echter zonder resultaat. Angstig snikkend kijkt ze om zich heen en dan staat er plotseling een soort lilliputtervrouwtje naast haar, dat vriendelijk lachend zegt: “Kom maar met mij mee, ik breng je wel thuis.” Opgewekt gaat Grietien aan de hand van het lieve vrouwtje op weg.
Pop
Ondertussen missen de ouders hun dochtertje. Ongerust gaan ze in en rond de boerderij op zoek. Echter tevergeefs, dus gaan ze verder van de boerderij vandaan zoeken. Bij de korenakker zien ze dan Grietiens pop liggen. Opnieuw roepen ze hun dochter, maar er komt geen enkele reactie. De vader ziet nu dat er een spoor van geknakt graan in de akker verdwijnt. De boer en zijn vrouw begrijpen hieruit dat Grietien de roggeakker in moet zijn gegaan. Waarschijnlijk is ze verdwaald en vermoeid in slaap gevallen. “Ik zal haar wel even halen”, zegt de vader. De ontdane moeder wil niet aan de rand van de akker blijven wachten en volgt haar man; ze wil hun dochter zo gauw mogelijk weer in de armen sluiten.’
Zomerhoedje
‘Nadat ze zo’n veertig meter de roggeakker zijn ingegaan, staan ze verbaasd en ontsteld stil: daar ligt hun Grietien, middenin een krans van roggebloemen; ze lijkt ontspannen te slapen. De moeder snelt op haar dochter toe en wil het kind in haar armen nemen. Als ze Grietien wil optillen, is het echter alsof het kind in de lucht opgaat. De moeder graait in de leegte. Enkel het strooien zomerhoedje dat hun dochtertje had gedragen, ligt nog in de krans van roggebloemen. Verbijsterd zien de echtelieden elkaar aan, maar Grietien is weg en blijft weg. Het is nu wel duidelijk dat hun kind door het roggewiefien naar het onderaardse is meegenomen. De krans van de blauwe roggebloemen was het herkenbare teken dat het roggewiefien achterliet. Ontroostbaar zijn de ouders, nu ze weten dat ze hun dochtertje nooit meer in de armen zullen sluiten.’
Dus kinderen – zo besluit men het verhaal – begeef je nooit in het graangewas. Het kan dan heel slecht met jullie aflopen en wij willen jullie ja graag bij ons houden! Gretig en nog ontdaan van het verhaal beloven de kinderen dan ook dat ze nóóit de graanakker in zullen gaan. Nee, in geen honderd jaar! De schrik zit er goed in…