![]() |
‘Het was goed aan het worden of het was goed geweest’
Of ik Gaije mag zeggen. Natuurlijk. ‘Ik vind het maar niks, die naam’, zegt Gaije Dijk. ‘’k Heb er altijd last van gehad.’ Nou, het is in elk geval bijzonder. ‘Het is Fries’, zegt hij. Is hij Fries van geboorte? ‘Nee nee. Mijn opa, die kwam uit Friesland. De naam Dijk kwam van Gorredijk, dat was dus ook een echte Fries. Maar verder zit er bij ons geen Fries in.’ Hij heeft een innemend lachje. Slim, een beetje spottend. En hij is tachtig. Dan heb je het een beetje gehad, vindt hij. ‘Je kunt zo’n beetje uit fietsen, maar eigenlijk is het wel voorbij.’
Dat is wel erg somber, maar Gaije doet er niet moeilijk over. Zo is het gewoon. En hij is blij dat hij hier rustig woont, na een leven van hard werken. Vanaf zijn vroege jeugd woonde hij in Valthermond, ging op school 34. En na de Lagere School was het werken geblazen.
Keihard werken
‘Ik wou naar de Ambachtsschool. Maar dat ging niet door. Op 1 januari 1965 moest ik bij de boer gaan werken. Dat mocht eigenlijk niet, want ik werd pas later in januari veertien en ik moest nog naar school. Maar mijn vader zei: “die laatste weken leer je toch niks meer bij en je kunt nou bij de boer terecht.” Maar de meester op school had me aangegeven en we kregen een boete; die was even veel als ik in die weken verdiende!’ Weer dat lachje.
Het was keihard werken bij de boer. Wat hij moest doen? ‘Alles. Alles moest ik doen. En ik kwam ook nog terecht bij de minste boer van Valthermond. De allerminste. Ik geloof niet meer dat hij nog leeft, maar in elk geval krijg ik nog 25 gulden van hem. We hadden aardappels gerooid en de boer had ons 25 gulden beloofd. Maar ik kreeg maar zeven gulden vijftig. Toen ik zei dat-ie me 25 gulden had beloofd, zei hij: “Ach jongen, je hebt gedroomd!” De rotzak!’
Om zes uur moesten ze beginnen en dan was het nog pikkedonker. Dan stonden ze daar: drie man en de boer met z’n horloge in de hand. O wee, als je ook maar even te laat was! Dan was het: ‘Je bent te laat! Het is twee minuten over zes!’ Om twaalf uur kon hij naar huis om te eten. Niet om twee minuten voor twaalf, nee, om twaalf uur precies. Gaije was toen de bijdehandste van de seizoenwerkers. En nogal opstandig. De anderen zeiden nooit iets, hij wist z’n mondje wel te roeren. Maar veel hielp het niet.
Koolteer
Tot september heeft hij bij die boer gewerkt. Toen kreeg hij op een dag de opdracht om de brug te teren. Met koolteer. ‘Het was gloeiend heet en daar stond ik die brug te teren. Ik kwam thuis en m’n moeder zei: “Wat heb jij nou?” Ik zei: ik heb de brug geteerd. Nou, ik had m’n hele kop verbrand, ik kon niet meer uit m’n ogen kijken.’ En hij ging niet meer terug naar de boer.
Hij had dus een tijdje niets te doen. Vissen, ja. Op de plaats waar nu de forellenkwekerij is gevestigd. Die boer kwam nog even kijken: heb je niks te doen? En Gaije antwoordde: ‘Nee. Ik laat me niet meer de kop verbranden!’
Maar er moest natuurlijk wel brood op de plank komen. Acht kinderen telde het gezin Dijk, twee zijn er later overleden. Op z’n achttiende had Gaije nog steeds maar één broek. Die was van z’n oudere broer geweest, dus toen al versleten. Vader seizoensarbeider, zoons ook seizoensarbeider. En dus is Gaije maar bij de buurman gaan werken. De tweede boer beviel trouwens beter. Dat was een redelijk mens.
‘De boeren hadden toen meestal één knecht. Een los-vaste. En daarnaast dus de seizoensarbeiders. En als het werk gedaan was, stond je weer op straat.’ En hij had geen geluk met zijn werkgevers. ‘Het was steeds weer mis. Het was goed aan het worden of het was goed geweest. En als het goed aan ’t worden was, dan was ik er niet bij.’ Hij denkt dat hij alle boeren van Valthermond wel zo’n beetje heeft gehad. Dat duurde tot zijn zeventiende. Daarna is hij in de Noordoostpolder gaan werken. Het verdiende goed; hij kwam elke zaterdag met 42 gulden thuis en dat was in die tijd een hoop geld.
Fabriek
Veenarbeider is hij ook geweest. Dan weer een paar weken bij de boer, maar in december was dat natuurlijk ook weer afgelopen en dan was Gaije weer vrij. Zo leefde hij jaren lang van baantje naar baantje. Hij trouwde intussen, kreeg een zoon en de verantwoordelijkheid nam toe. Maar in 1960 was de vervening wel aan zijn einde gekomen en Gaije was het leven van seizoenarbeider en los-vaste kracht zat. ‘Toen zei ik tegen de vrouw: het is gebeurd. Ik ga naar ’t fabriek. Nou kan ’t nog.’
Zo gezegd, zo gedaan. Het kon inderdaad nog en hij werd aangenomen. Als een soort manusje-van-alles, ‘in de transport’. Hij kon niks, maar hij deed alles. ‘Ze vroegen me of ik met een vorkheftruck overweg kon. Ja hoor, zei ik. Ik had nog nooit zo’n ding gezien, maar als je dan nee zegt, komt er voor jou een ander. Als je werk wilt hebben, moet je nooit zeggen “dat kan ik niet”.’
En ’s avonds werkte hij erbij, op het land. ‘Ik had werk genoeg. Op het land werken kostte veel tijd: om zeven uur beginnen, om twaalf uur ophouden. ‘De vrouw en ik hadden werk aangenomen bij een boer. Een hectare moesten we doen en daar zouden we 350 gulden voor krijgen, maar toen het op betalen aankwam, bleek het maar 150 gulden te zijn. Ik zeg: stik d’r ‘dan maar in!’
Gevaren heeft hij ook. Aardappelen en af en toe een vracht turf, later zelfs vee. ‘Dan werd ’t schip in Nieuw-Weerdinge volgeladen en dan gingen de vrouw en ik er ’s avonds met een koffer achterop de fiets heen en dan was ik de middag van de volgende dag weer op ’t fabriek.’
AOW
En nu heeft hij al vele jaren AOW. Zijn vrouw is elf jaar geleden overleden en hij woont alleen in zijn huisje aan het Noorderdiep. Zijn kinderen (‘We hebben er twee en dat is meer dan genoeg, vind ik!’) komen af en toe langs en verder geniet hij van zijn rust. Eindelijk niet meer dag en nacht werken. Alleen is hij trouwens niet. ‘En ik ben niet veeleisend. Ik hoef geen drank, ik hoef geen tabak, ik hoef niks. Lekker eten, ja, maar verder…’
Gaije kijkt terug op een leven dat niet altijd even gemakkelijk is geweest, maar waarin hij wel ontzettend veel heeft gedaan en meegemaakt. Hij heeft Valthermond in de loop der jaren zien veranderen. ‘De taal is veranderd. Ze spreken nou allemaal Hollands. Er is nou eenmaal veel import komen wonen. Ik dacht wel zestig procent. Vroeger kende ik van voor naar achter ieder mens. Iedereen. Maar dat is allang niet meer zo. Vroeger groette iedereen mekaar. Maar als ik nou op straat “Moi” zeg, krijg ik vaak geen antwoord.’