Dubbelklik hier om de afbeelding te veranderen
Het lijkenhuisje
Door Jacob Westendorp

Tot bijna het einde van de negentiende eeuw waren er vrijwel jaarlijks epidemische ziekten, met vaak ook nog eens vele slachtoffers die aan die epidemieën stierven. Veel voorkomende en regelmatig terugkerende ziekten waren tuberculose, pokken, tyfus en cholera. De voorschriften en maatregelen die van overheidswege werden genomen, waren niet afdoende om de ziekten te bestrijden of af te wenden. Zo werden er adviezen gegeven op het gebied van kleding en voeding en werden er hygiënische maatregelen aanbevolen. Tevens kwamen er allerlei voorschriften tegen de vervuiling door mesthopen, privaten, het drinken van vervuild water en kadavers langs de weg. Hoewel vanuit provincies en gemeenten allerlei regels en adviezen werden geproclameerd, werd de gewone man op het platteland niet bereikt. En als hij wel werd voorgelicht, bestond er meestal geen mogelijkheid om zich eraan te houden.

 

Niet ontkleed

In de strijd om epidemieën zoveel mogelijk te voorkomen, mocht aan het begin van de negentiende eeuw iemand die aan een besmettelijke ziekte was overleden niet worden ontkleed. De lijkkist moest meteen na het kisten van de verstorvene worden gesloten en de begrafenis diende binnen 48 uur te geschieden. Ruimtes waar zich een besmettelijke ziekte had voorgedaan, moesten worden gezuiverd. Dat gebeurde veelal door luchten, chloor en azijn. Tevens diende het beddengoed te worden verbrand. Ook gold als voorbehoedsmiddel tegen besmettelijke ziekten het zich regelmatig met schoon water wassen. Maar de mensen op het platteland waren niet zo wasserig, die geloofden het wel. Er waren trouwens ook medische deskundigen die juist vonden dat een laagje vuil bescherming bood tegen het binnendringen van ziektekiemen. De gezondheidsautoriteiten hielden zich vooral bezig met het bestrijden van luchtbederf en het voorkomen van miasmatische dampen (bijvoorbeeld uitwasemingen van rottende stoffen, zoals uit kadavers en lijken). Men was ervan overtuigd dat de rottingsstoffen van aan besmettelijke ziekten overleden personen smetstoffen voortbrachten, die de gevaarlijke ziekten verder konden verspreiden.

Juist begraafplaatsen werden dan ook gezien als een groot risico met betrekking tot het verspreiden van besmettelijke ziekten. Dat leidde er onder meer toe dat in 1829 van overheidswege werd bepaald dat er geen begraafplaatsen meer in de bebouwde kom mochten worden aangelegd. Ook moest een begraafplaats van een goede afscheiding worden voorzien, in de vorm van een muur, een gracht of een heg.

 

Uniform reglement

Al die verschillende verordeningen in het begin van de negentiende eeuw maakten duidelijk dat het tijd werd voor een uniform reglement. In 1831 kwam het dan in de provincie Drenthe ook tot de invoering van het Reglement op het begraven van lijken. Een van de artikelen daarin was dat begraven niet eerder mocht dan 36 uur na het overlijden en niet later dan na de vijfde dag van het versterven. De nieuwe wet gaf echter toch nog veel onduidelijkheden. Men was vooral bevreesd om mogelijk schijndoden te begraven. Daar was ook wel enige reden voor, want het was goed mogelijk dat je slechts schijndood was. Vooral bij cholera was een patiënt die in coma was geraakt bijna niet van een dode te onderscheiden. De dood moest dus terdege worden vastgesteld. Het wassen met zo heet mogelijk water was een van de methoden om er min of meer zeker van te zijn dat de dode niet schijndood was. Eigenlijk was er maar één betrouwbaar symptoom van de dood, namelijk de intredende ontbinding.

Om gestorvenen aan een besmettelijke ziekte toch langer te kunnen opbaren, werd aanbevolen om op de begraafplaatsen lijkenkamers in te richten. Na veel discussies kwam er in 1869 een nieuwe begrafeniswet tot stand. Hierin werden veel onduidelijkheden met betrekking tot het reglement van 1831 geregeld. Deze nieuwe wet bepaalde eveneens dat op begraafplaatsen een lijkenhuis moest worden gebouwd. Dat was in eerste instantie een dwingende aanbeveling, maar werd in 1872 bij wet verplicht gesteld.

 

Opbaren

Die lijkenhuisjes waren in de eerste plaats dus bedoeld om gestorvenen aan een besmettelijke ziekte daarin op te baren, zodat het besmettingsgevaar zoveel mogelijk werd beperkt. In 1878, 25 jaar na het aan snee brengen van het Valtherveengebied, kreeg Valthermond een eigen begraafplaats aan de Valtherdijk, nabij de Kavelingen. Hoewel het een gemeentelijke taak behoorde te zijn, werd de begraafplaats Valthermond-Oost verwezenlijkt door een commissie die uit de vereniging van het plaatselijk Nut was ontstaan. Hier moesten ingezetenen het werk tot stand brengen dat in feite de gemeente had moeten doen en die was in haar plichten jegens de jonge veenkolonie Valthermond dus duidelijk te kort geschoten. Wel verstrekte de gemeente een subsidie van duizend gulden (de gemeente Odoorn was zo armlastig dat ze gewoon niet bij machte was een begraafplaats te realiseren!) Daar de begraafplaats, omgeven door een brede sloot, in 1878 werd opgeleverd, liep men er meteen tegenaan om daar tevens een gebouwtje voor lijkopbaring te plaatsen. Het animo om een lijkenhuisje te bouwen was, op zijn zachtst gezegd, niet groot. Er werd verondersteld dat nabestaanden, vooral degenen die wat verder van de dodenakker woonden, niet met de dode naar het lijkenhuis zouden komen. Liever ging men in het geval van een besmettelijke ziekte over tot een versnelde begrafenis. Doch de wet was hierin heel duidelijk, men kon er niet onderuit, en dus werd door de plaatselijke aannemer, Rigt Kliphuis, tegen materiaalkosten een houten huisje gebouwd.

 

Weinig gebruik

Van opbaren in het huisje – zoals de commissie al had voorzien – is inderdaad maar weinig gebruik gemaakt. De gewoonte om de overledene thuis op te baren, ook al was die aan een besmettelijke ziekte gestorven, was sterker dan de wet. Wel werden in strenge winters, als men niet in staat was een kuil te graven, de overledenen zolang als nodig was in het lijkenhuisje opgebaard.

In het begin van de twintigste eeuw is het houten lijkenhuisje vervangen door een stenen gebouwtje. Het huisje deed toen meer dienst als opslagruimte voor materialen van de begrafenisvereniging en voor het gereedschap van doodgraver J. Koning, die het graf delven zo’n veertig jaar heeft gedaan.