waterschap_161474e
Dec. 2009 Waterschap deel 1
 Door Jacob Westendorp

De uitgestrekte veenmoerassen, die oorspronkelijk bijna een kwart van de provincie Drenthe hebben bedekt, waren feitelijk één groot reservoir van water en zorgden ook in droge tijden voor een gestage voeding van de veenriviertjes, zoals hier in het Valtherveen de Mussel-A. De veenmoerassen vormden gebieden die grote hoeveelheden water herbergden. Een goede afvoer van het teveel aan water langs zo’n veenriviertje was echter totaal onmogelijk. Het schoonhouden en op diepte houden van deze waterlozingen was in het meestal ontoegankelijke veenmoerasgebied en met de geringe bewoning op het platteland gewoon niet uitvoerbaar.

 

Zeer welkom

Overstromingen en waterstagnatie konden dan ook maar zeer beperkt worden aangepakt. Deze inundaties waren in de winter normaal en werden uit het oogpunt van bemesting van de madelanden als zeer welkom aanvaard. Overstroming van deze groenlanden in de zomer had echter rampzalige gevolgen voor de hooioogst. Het was dan ook een volstrekte noodzaak dat de veenriviertjes vooral in de zomermaanden toch in een enigszins goede staat van onderhoud verkeerden; men wilde tenslotte enige zekerheid hebben op een goede hooiverbouw. Het onderhoud werd – voordat de vervening hier plaatsvond – door de boermarke (in oudere tijden buurschap genoemd) van Valthe gepleegd. De marke was hier (nu Valthermond en omgeving) eigenaar van de toen nog woeste gronden.

Het landrecht van 1412, dat slechts één artikel over de waterstaatszorg kende, benadrukte de belangrijkheid van de buurschap in deze zaken. Het landrecht voorzag in een bijzondere rechtsgang die het de buren mogelijk maakte om geschillen over het onderhoud van de wateren op eigen grondgebied af te handelen. De buurschap was in waterstaatszaken vrijwel autonoom, zij het dat er beroep op de Etstoel, het hoogste rechtscollege, openstond.

Het waren de buren, de gerechtigden in de Marke, die oorspronkelijk de regels voor het onderhoud van de riviertjes en waterlozingen vaststelden. De buurschap bepaalde welke wateren door de afzonderlijke buren en welke gemeenschappelijk dienden te worden onderhouden. De organisatie kende eigen dwangmiddelen, vorderde in geval van nalatigheid of overtreding zelf de boeten in en deed binnen eigen grondgebied wat mogelijk was wat betreft beheer en onderhoud.

 

Beperkte horizon

De buurschap had echter het bezwaar dat zijn horizon maar zeer beperkt was. Het dienen van het algemeen belang, dat verder ging dan het grondgebied van de markegemeenschap, kon nauwelijks worden verwacht. Na 1600 ging het toen gevestigde landschapsbestuur zich meer met het onderhoud van de wateren bemoeien en stelde regels op voor het onderhoud van deze stromen en waterlozingen. Er werd schouw (inspectie) ingesteld. Dat was eigenlijk een overschouw, want het buurschap hield eveneens zijn eigen schouw. Het landschapsbestuur beoogde met de overschouw waarborgen te scheppen voor de algehele afwatering. Veel verbetering leverden deze maatregelen echter ook niet op. Pas in de negentiende eeuw kwam er meer regelgeving op dit gebied. En de toen nog maar pas ontstane gemeenten (1798) werden door de provincie belast met het toezicht daarop.

Bij de grondwetswijziging van 1848 kregen de Provinciale Staten de bevoegdheid om waterschappen op te richten. Aanvankelijk maakten zij hier weinig gebruik van, mede omdat de gemeenten de schouw over riviertjes en waterlozingen naar redelijke tevredenheid uitvoerden. De bevoegdheden van marke en gemeente waren evenwel te gering voor een efficiënt beheer en daarom richtten Provinciale Staten vanaf de jaren zestig van de negentiende eeuw de eerste waterschappen op. Intussen ontstond ook de mogelijkheid tot vervening van de woeste gronden ten oosten van de Hondsrug. In 1786 gaven de Provinciale Staten van Drenthe de gezamenlijke eigenaren van deze venen de vrijheid om met Groningen te onderhandelen over de doorvaart door de stadswateren en zo tot ontsluiting van hun venencomplexen te komen.

 

Nieuw convenant

Het zou tot 1800 duren voordat er een eerste convenant met de stad tot stand kwam. Dit contract is echter nooit tot uitvoering gekomen. Naast grensgeschillen heeft de Groningse bezorgdheid over de aanvoer van Drentse water de uitvoering van de overeenkomst tegengehouden. Pas nadat koning Willem I zich ermee bemoeide, kon er in 1817 een nieuwe convenant worden opgesteld. Na een lange en moeizame strijd was een regeling tot stand gekomen die de weg vrijmaakte tot vervening en ontginning van negen verenigde marken in oostelijk Drenthe, waaronder de Valthermarke.

Nu het convenant een feit was, moest er ook een bestuur komen dat de belangen van de marken behartigde en dat met het toezicht op de uitvoering van de bepalingen in de overeenkomst zou worden belast. Hiertoe werd in 1822 een bestuur ingesteld dat de negen marken omvatte. Dat bestuur kreeg de titel ‘De hoofdcommissie van de Oostermoersche en Zuidenveldsche venen’. De taken en werkzaamheden werden in een reglement vastgelegd. De hoofdcommissie bestond uit vijf belanghebbende eigenaren en werd bijgestaan door een boekhouder-secretaris. Tevens kregen de negen afzonderlijke marken in de periode van 1822 tot 1838 nog eigen reglementen; de marke van Valthe verkreeg zijn reglement in 1828.

Op dat reglement kon dan een plan van aanleg worden opgemaakt en het gebied in plaatsen worden verdeeld. Was alles in kaart gebracht en opgemeten, dan kon verdeling onder de eigenaren plaatsvinden, dit in verhouding van het waardeel dat ieder in de marke bezat. De eerste verloting in de Valthermarke van een gedeelte van de veenplaatsen vond in september 1833 plaats in de school te Valthe. Door de aanstaande vervening zou het veenriviertje de Mussel-A, toen al van geringe betekenis, geheel verdwijnen en zou het aan te leggen kanalenstelsel de ontwatering en beheersing van het water in de Valtherveenmarke overnemen.

 

 

 

 

Waterschap (deel 2)

 

De hoofdcommissie van de Oostermoersche en Zuidenveldsche Venen moest in 1853 constateren dat zij niet de rechtsmacht had waarover waterschapsbesturen konden beschikken. De Asser rechtbank besliste in dat jaar dat dit bestuur niet bevoegd was om tegen nalatige of achterstallige marken en markegenoten op te treden. Teneinde in de lacune te voorzien, stelden de Provinciale Staten een reglement op de vervening vast. Hierin werd de mogelijkheid geopend om veenschappen op te richten. Het provinciaal bestuur had met het reglement op de verveningen ook duidelijk het voornemen orde op zaken te stellen in de vrij chaotische situatie waarin vele verveningen in Drenthe zich bevonden. In 1855 werd het eerste veenschap opgericht, ‘De Oostermoersche en Zuidenveldsche Venen’. Het uitvoerige reglement maakt een moderne indruk, de organisatie was praktisch geregeld. Wel zeer opvallend was de grote mate van zelfstandigheid waarmee het veenschap was bekleed. Zodoende heeft het een niet te onderschatten bijdrage geleverd aan de inrichting en ontwikkeling van de veenkoloniën, waaronder de koloniën in de Valthervenen.

 

Hevig verzet

Drenthe is niet gelukkig geweest met de keuze van organen die belast waren met het toezicht op de verveningen. Nadat in 1853 dus was geconstateerd dat de hoofdcommissie, belast met het beheer van en het toezicht op de negen veenmarken, niet bevoegd was om tegen de nalatige markegenoten op de treden, bepaalde de Hoge Raad dat de provincie helemaal niet bevoegd was om veenschappen op te richten. Noch de provinciewet, noch de Grondwet boden hiertoe de mogelijkheid. De veenschappen moesten zodoende worden omgevormd in waterschappen. Er kwam veel verzet van de ingelanden (de grondeigenaren) tegen één waterschap; dat zou de Oostermoersche en Zuiderveldsche venen moeten vervangen. Het verzet was zó hevig dat werd besloten tot de oprichting van negen afzonderlijke waterschappen in het betreffende gebied. Een algemeen bezwaar van de ingelanden tegen het grote overkoepelende waterschap dat in de bedoeling lag, lag in de bevoogding die zij van het hoofdbestuur van het veenschap hadden ondervonden. Letterlijk schreef men ‘dat de ingelanden met dat Bestuur om zijn eigendunkelijke en tegen de belangen van adressanten indruischende handelingen verre van tevreden waren, terwijl zij onmachtig waren daartegen iets te doen, doordien de leden van het Hoofdbestuur door hunne overmacht van door bundertal hunner landerijen bepaalde stemmen hen telkens overstemden.’

Door de uitspraak van de Hoge Raad was er een verwarde toestand ontstaan in de negen marken. Die was als markenorganisatie eveneens al vrijwel opgeheven, omdat er toen geen publiekrechtelijk lichaam meer bestond. In Valthermond vormde zich toen een commissie, bestaande uit de heren C.L. Kniphorst, A. Hadders, H. Nijenhuis, B. ten Rodengate Marissen en G. Kevelingen. Zij belastten zich met het toezicht op de uitvoering van het plan van aanleg, het nakomen van de verplichtingen van de markegenoten tegenover de stad Groningen en de voorbereidende werkzaamheden voor een op te richten waterschap.

 

Verhitte vergaderingen

Terwijl in de andere voormalige veenmarken van het veenschap al vóór 1890 een waterschap was opgericht, duurde het in de Valtherveenmarke tot 1893 voordat alle obstakels waren geruimd en het reglement van het Waterschap Valthe in de Provinciale Staten werd goedgekeurd, waarmee het waterschap was opgericht. Er waren vele vergaderingen nodig geweest om alle ingelanden op één lijn te krijgen. In hotel Smit, bij de Kavelingbrug, vonden de vele, soms zeer verhitte vergaderingen plaats en werd het voorgestelde reglement meermaals verworpen. Het onderlinge wantrouwen wierp steeds weer barrières op.

Het waterschap Valthe kreeg een oppervlakte van 3808 hectare. Het heeft zeventig jaar bestaan, waarna het in 1963 door de ingezette reorganisatie van het waterschapsbestel opging in het waterschap De Monden. Er waren rond de jaren vijftig van de afgelopen eeuw ruim 150 – waaronder veel zeer kleine – waterschappen over de provincie Drenthe verspreid. Het werd de bestuurders duidelijk dat het Drentse waterschapsbestel verouderd en te versnipperd was. De grote hoeveelheid waterschappen en het ontbreken van professionele ondersteuning noopte tot reorganisatie van het bestel. Het stroomgebied van een rivier of afwateringsstelsel werd de basis van de organisatie van het waterschapswezen. Het aantal Drentse waterschappen liep door een veelheid van samenvoegingen in de jaren tachtig terug tot nog maar 17 stuks.

In de jaren negentig ging men zelfs over tot interprovinciale waterschappen. Het waterschap Valthe ging, zoals hiervoor al aangehaald, in 1963 op in waterschap De Monden en tien jaar later, in 1973, volgde nog een samenvoeging, met waterschap De Runde, zodat waterschap De Veenmarken ontstond. Dat ging in 1992 weer op in het interprovinciale waterschap Dollardzijlvest. Al het overtollige water uit het gebied stroomde af op de Eems.

 

Wéér reorganisatie

Hoewel nu een waterschap was gerealiseerd naar afwateringsgebied – het beoogde ideaal – volgde in het jaar 2000 wederom een reorganisatie en samenvoeging. Dat was mede een gevolg van de Dienst Zuiveringsbeheer in de provincie Groningen en het Zuiveringschap in de provincie Drenthe. Dat leidde tot vorming van twee interprovinciale all-in waterschappen, waarbij het waterschap Dollardzijlvest opging in waterschap Hunze en Aa’s, dat een oppervlakte van zo’n 213.000 hectare heeft, verdeeld over 23 gemeenten in Groningen en Drenthe. Doordat waterzuivering en waterlozing dan in één orgaan verenigd zijn, begint nu het zogenoemde integrale waterbeheer: de zorg voor zowel waterkwantiteit als voor waterkwaliteit.

Hoewel er heden ten dage geen veranderingen in het waterschapsbestel op stapel staan, zal het toch niemand verwonderen als er over enkele jaren opnieuw veranderingen worden doorgevoerd…