![]() |
Allerlei vormen
We kunnen de kinderspelen in allerlei vormen onderverdelen, zoals loopspelen, dansspelen, kring- en balspelen. Eveneens worden diverse vormen van nabootsing in spelvorm uitgevoerd; denk hierbij aan huisje, doktertje en oorlogje spelen. Om terug te gaan in de tijd zal ik enkele spelen beschrijven die aan het begin van de afgelopen eeuw op de Valthermondse schoolpleinen werden gespeeld. Zo was een door de jongste kinderen veel gespeeld schoolpleinspel Schipper, mag ik overvaren? Een rij kinderen staat tegen de gevel van het schoolgebouw, de schipper staat er enkele meters vóór. De in de rij staande kinderen zingen ‘Schipper, mag ik overvaren, ja of nee?’ Die regel wordt tweemaal gezongen. De schipper antwoordt dan ‘Ja!’ Daarop zingen de kinderen ‘Moet ik dan ook tol betalen, ja of nee?’ Opnieuw roept de schipper ‘Ja!’, waarop de rij vraagt ‘Hoe?’ De schipper doet dan voor hoe ze nu moeten oversteken, zoals bijvoorbeeld hinkelend, met geheven handen, op één been of springend als een kikker.
Een ander hier gespeeld spel was het loopspel Witte zwanen, zwarte zwanen. Dit spel werd als volgt gespeeld: twee kinderen staan tegenover elkaar, met geheven armen en de handen tegen elkaar. De andere kinderen vormen hand aan hand een rij en lopen al zingend onder de door twee eerste kinderen gevormde poort door. Daarbij zingen ze:
‘Witte zwanen, zwarte zwanen, wie wil met mij naar Engeland varen?
Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken,
Is er geen smid in ’t land, die de sleutel maken kan?
Laat doorgaan, laat doorgaan, wie achter is, moet voorgaan.
De laatste zullen we vangen!’
Bij deze laatste regel werd iemand uit de rij gevangen in de poort, waarna het spel opnieuw begon. De gevangene nam dan de plaats in van een van de voorgaande poortwachters.
Kaatsen en zakdoekje
Een echt meisjesspel was het Kaatsen. Vaak werd er tegen het schoolgebouw gekaatst, maar ook wel ‘los’ in de lucht. Vooral de meisjes van de hoogste klassen oogstten veel waardering als ze met drie, of zelfs met vier ballen konden kaatsen. Een veel daarbij gezongen kaatslied was:
‘Juffrouw Katrein zat achter ’t gordijn,
Wat deed ze daar? Ze kamde haar haar,
Ze waste haár handjes, haar mond en haar tandjes,
Ze droogt ze weer af, toen ging ze weer staan, van voren af aan,
Van handje geklap, van voetje getrap, van rommeldebom, keer weer om.’
Een ander erg geliefd kinderspel was Zakdoekje leggen. Het hierbij gezongen lied luidde:
‘Zakdoekje leggen, niemand zeggen,
Kijk voor je, kijk achter je, kijk naar beide zijden,
Ik laat mijn doekje glijden.
Glij, glij, glij, nu leg ik mijn zakdoek achter je neer.’
De kinderen die aan het spel deelnamen, stonden daarbij in een kring, met de gezichten naar de binnenkant gekeerd. Het kind met de zakdoek liep tijdens het zingen achter de ruggen van de andere kinderen langs, Als er ‘neer’ werd gezongen, liet het rondgaande kind haar zakdoek vallen. Degene achter wie de zakdoek terecht was gekomen, raapte die snel op en ging het kind dat de zakdoek had laten vallen achterna. Dat rende rond de ring naar de lege plaats in de kring. Als het, voordat het die plek had bereikt, door het eerste kind werd afgetikt, dan nam de tikker de rol van het eerste kind over en begon het spel opnieuw.
Streepgooien en landveroveren
Een ander, veelal alleen door jongens gespeeld spel was Streepgooien. Oorspronkelijk werd het spel veel door werkloze mannen gespeeld, om de ledige tijd te doden. Ging het spel bij de ouderen om centen, de kinderen speelden het met knopen. Er werd een rechte lijn van zo’n twee meter lang in het zand getrokken, met op beide einden een kort dwarslijntje. In het midden van de lijn werd aan de achterzijde een vakje van zo’n vier bij vijf centimeter getekend. Ongeveer drie meter vóór de lijn werd eveneens een streep (de meet) getrokken. De deelnemers aan het spel gooiden om beurten vanaf de meet hun knoop naar de streep. Het ging erom wiens knoop het dichtst vóór de streep kwam te liggen; de gooier daarvan mocht de knopen achter de streep incasseren. Wie zo gelukkig was om zijn knoop in het vakje te gooien, mocht alle knopen wegnemen.
Een ander echt jongensspel, dat alleen door de jongens van de hoogste klassen werd gespeeld, was Landveroveren. Het werd gespeeld met een geopend zakmes. Op een stuk niet te hard zand werd een rechthoek afgetekend van ongeveer twee vierkante meter . Die rechthoek werd in tweeën gedeeld, zodat elk van de beide spelers een vierkante meter land bezat. Men liet het mes vanaf kinhoogte in het land van de tegenspeler vallen. Daarop werd – als het mes tenminste niet plat was gevallen – een streep door het land van de tegenspeler getrokken, in de lengte van de door het lemmet van het mes gemaakte snede. Het zo veroverde deel werd bij het land van de speler gevoegd. Bij het plat vallen van het mes ging de beurt voorbij. Het spel ging zo lang door totdat de tegenspeler niet meer met zijn voeten binnen de grenzen van zijn land kon staan.
Bedrijvigheid
Andere veel gespeelde schoolpleinspelen waren onder meer hinkelen, touwtjespringen, bokspringen en knikkeren. Het zal duidelijk zijn: het schoolplein was vóór en tussen de lessen één en al bedrijvigheid. De kinderen vermaakten zich ondanks de beperkte middelen uitstekend. Wel liepen altijd de meester of de juf op het plein rond om al te wilde of overuitbundige kinderen af te remmen en mogelijke ruzies in de kiem te smoren.