Door Jacob Westendorp
Wild, woest en ledig was het ruwe veen,
Slechts de heide vlecht er kransen overheen.’
Aldus werd het Boertanger veenmoeras bezongen in het veenkoloniale volkslied. Voor het overgrote deel van dit veenmoeras waren die regels zeker van toepassing. Maar met betrekking tot de veenriviertjes, hun madelanden en de doorgaande wegen en dijken door het veengebied was het een heel ander verhaal. De Valtherdijk, een verbindingsweg door het grote, ontoegankelijke veenmoeras tussen de Hondsrug en Westerwolde, was reeds in de Middeleeuwen van groot belang. Het was een van de weinige, min of meer redelijke (ten minste ’s zomers) doorgangswegen door het moerasgebied. Vooral voor de markegenoten van de Valthermarke was deze verbindingsweg zeer belangrijk, doordat men zo de groenlanden langs de Mussel A kon bereiken en bewerken.
Strategisch belang
Maar niet alleen voor boeren en handelslieden was deze weg belangrijk. Ook strategisch werd de dijk in de loop van de zestiende eeuw in samenhang met het hele moerasgebied van betekenis. De Valthermarkegenoten waren hier echter in het geheel niet blij mee. De militaire belangen strookten totaal niet met die van de boeren. Die hadden belang bij een voldoende ontwatering van hun gronden die langs de Mussel A en op de Zandberg waren gelegen. De militaire belangen waren echter het tegenovergestelde. Het moerasgebied moest in hun visie zo nat mogelijk zijn, zodat eventuele binnendringing van vijandelijke troepen zo goed mogelijk kon worden geweerd. De aanleiding voor deze strategische belangstelling was de onafhankelijkheidsstrijd tegen Spanje, de Tachtigjarige Oorlog. Die strijd had zich voor wat betreft Noord-Nederland met name in de laatste decennia van de zestiende eeuw rond de stad Groningen afgespeeld.
Toen de stad zich onder leiding van Rennenberg achter de Spanjaarden schaarde, trachtte stadhouder Willem Lodewijk Groningen van de buitenwereld af te sluiten. Onder meer door het opwerpen van schansen konden optrekkende vijandelijke troepen tijdig worden gesignaleerd. De belangrijkste oostelijke doorgangen lagen bij Boertange en Coevorden. De doorgang bij Coevorden – dat al eeuwen een vestingstad was – werd versterkt en met extra troepen beveiligd. Bij de doorgang Boertange werd een schans opgeworpen die al gauw als vesting (permanent bewoond militair verdedigingswerk) werd ingericht. Daarna werden de eerste decennia van de zeventiende eeuw ook andere doorgangen door het Boertanger veenmoeras van schansen voorzien.
Kwetsbare plekken
Omdat oorlogen in die tijd meestal gedurende de lente en de zomer plaatsvonden, vormden de wegen door de veenmoerassen – zoals de Valtherdijk – duidelijk kwetsbare plekken in het verdedigingssysteem. Zodoende werd in 1621 eveneens een verdedigingswerk aan de Valtherdijk nabij Valthe gebouwd. Het betrof hier een redoute, een eenvoudig, gewoonlijk vierkant verdedigingswerk met uitsluitend uitspringende hoeken. De omwonende Valthenaren waren echter niet bepaald blij met de komst van de redoute en de daarin gelegerde militairen. Meteen na de bouw klaagden ze over ‘exorbitante en onlijdelijcke overvallen die deselfe te draegen hadden van de garnisoenen bij de Valter Dijck’. Kennelijk lagen de oorzaken van de problemen bij een aantal slecht geregelde zaken, want nadat was afgesproken dat het garnizoen over voldoende turf, kaarsen en stro kon beschikken, bleven de moeilijkheden verder achterwege. De daarmee gepaard gaande kosten zouden aan de bevolking worden vergoed en evenzo zouden de arbeiders die aan de bouw hadden meegewerkt daarvoor alsnog hun loon ontvangen.
Mochten de inwoners van het kerspel Oderen (later de gemeente Odoorn) al de illusie hebben gekoesterd dat de redoute voor veiligheid zorgde, dan werden die in 1623 grondig de bodem ingeslagen. Dat jaar hadden ze namelijk nogal te lijden van de doortocht van een colonne soldaten. Dat waren nota bene bevriende troepen van hertog Christiaan van Brunswijk-Lunenborg, die met zijn manschappen van Gelderland door Drenthe naar Oost-Friesland trok. Onderweg werd in de buurtschappen op grote schaal geplunderd en vernield.
Redoute wordt schans
De aanwezigheid van de redoute mocht de lokale bevolking in 1623 dan niet hebben gebaat, voor het landschapsbestuur had het verdedigingswerk zelfs in tijden van vrede een functie. Als er uit de omringende gebieden Groningen, Friesland, Overijssel en Duitsland berichten kwamen dat er een besmettelijke ziekte onder het vee was uitgebroken, zorgden onder anderen de soldaten van de Valtherschans ervoor dat er geen besmet vee werd ingevoerd.
De militaire instanties vonden bij latere inspecties dat een redoute niet voldoende bescherming bood, wat ertoe leidde dat die reeds in 1628 onder leiding van vestingbouwer Jacob Slijp tot een echte schans werd uitgebouwd. Dat hield vooral in dat de wallen rondom flink werden verhoogd en er bastions (uitstekende delen in de vestingwal) werden aangelegd. De grond hiervoor kwam vrij door de aanleg van een natte gracht rondom de schans, die een breedte van zo’n zeventien meter zou hebben gehad.
[tekening schans en omgeving]
Kort na de voltooiing van de schans braken er op het gebied van oorlogvoering rustige jaren aan voor Drenthe en ook de Dertigjarige Oorlog bleef buiten de grens. De Valtherschans zou maar een enkele keer een echte functie in oorlogstijd vervullen, en wel bij de invallen in 1665 en 1672 van de vorst-bisschop van Munster, Bernhard van Galen, alias Bommen Berend.
Sterke bezetting
Vanuit Meppen moest generaal Gorgas in het eerstgenoemde jaar proberen de vesting Boertange in te nemen, maar dat mislukte deerlijk. Daarna werd geprobeerd om ons land via Ter Apel binnen te komen. Vanaf de Duitse zijde van het Boertangerveenmoeras werd een dijk naar Ter Apel aangelegd. Alles wat voorhanden was, werd hiervoor gebruikt, zelfs schuurdeuren werden gevorderd om de verbinding tot stand te brengen. En het lukte werkelijk om via deze dijk het klooster in Ter Apel te bereiken. Veel verder kwam men echter niet. Verkenners van de Munsterse troepen kwamen nog wel bij Valthe, via de monniken- en Valtherdijk, maar werden daar verrast door de grote bezetting van de schans. Die telde dat jaar in verband met de oorlog een sterke bezetting. Zo’n 700 man voetvolk en acht compagnieën te paard waren naar de schans verplaatst. Hoewel er nog enkele schermutselingen plaatsvonden, heeft Gorgas verdere pogingen om hier Drenthe binnen te komen gestaakt.
In 1672 ondernam de bisschop van Munster wederom een poging om in Groningen te geraken. Het lukte toen om via Coevorden ons land binnen te vallen en zo trokken de troepen al rovend en plunderend langs de Hondsrug op naar Groningen. De schans bij Valthe werd omzeild door vanaf Emmen naar Odoorn te trekken. Wel werd er in het kerspel Oderen minder schade aangericht dan in andere kerspels op hun weg naar Groningen. Dit waarschijnlijk onder invloed van de militaire bezetting van de schans.
Verval
Na deze oorlog raakte de schans in verval. Hoewel men militair-strategisch het belang ervan nog wel inzag, was men financieel niet in staat de schansen te behouden. Rond 1800 lag het schansterrein er nog wel, maar van de wallen en de gracht was toen al vrijwel niets meer te bekennen. Door vervening van het Boertangerveenmoeras was het strategische doel van de schans eveneens verloren gegaan.