![]() |
november 2008
Eerst maar eens even voorstellen
Ik kom uit het westen. Eigenlijk maar gedeeltelijk, want ik ben weliswaar geboren in Amsterdam, in de Javastraat, in hetzelfde huis waar ook mijn moeder werd geboren, nu 84 jaar geleden. Maar mijn vader werd in datzelfde jaar ook daar geboren, niet in de straat, maar op het eiland Java. Ik ben dus van het westen en het verre oosten, en ik woon sinds kort hier, in het noordoosten.
Amsterdam verliet ik al meer dan dertig jaar geleden, op zoek naar een eigen plek. Het was toen al niet eenvoudig voor starters, je moest echt wat verder weg van Amsterdam wilde je nog iets betaalbaars kunnen vinden. Het werd Enkhuizen, het fraaie stadje aan de Zuiderzee. Buiten de Vest – de oude vestingwal om de historische stad – want daar wonen de buitenpoorters: import van heinde en verre, in nieuwbouwwijken. Daar bleef ik 29 jaar. Hoe schoon was de lucht, vergeleken met de walmen van de grote stad! Hoe veel groener en aardiger was het, hoeveel meer rust en stilte! Een verademing om daar thuis te komen, en die stille schone lucht te proeven na een Amsterdamse werkdag.
Voor 29 jaar was het goed. De kinderen werden er groot en gingen ver weg studeren; ik werd mijn eigen baas en mijn echtgenoot hing al zover tegen zijn pensioen aan dat we een andere keuze konden maken. En dat wilden we ook, want er was heel veel veranderd. De lucht leek allang zo schoon niet meer en de buurt was nogal achteruit gegaan, zodat ons leven werd ingevuld door het lawaai van buren die het heel gezellig hadden met elkaar, van ’s morgens vroeg tot diep in de nacht. Zodat we niet meer in ons eigen tuintje wilden zitten en ook de tuindeuren niet meer open deden, want we konden zelfs onze eigen gedachten niet meer verstaan. Zo begon onze droom van rust en ruimte, en heel veel groen daaromheen.
Maar we zijn helaas niet zo rijk als ik wel graag zou willen zijn, dus een stulpje aan de kust of in het Gooi viel dadelijk af en verder in Noord-Holland ook, en eigenlijk alle plaatsen die we kenden wel zo’n beetje. Daarom keken we verder weg.
De zoektocht naar de (binnen de grenzen van je budget) ultieme plek en het (idem) ideale huis is er één van puur gevoel. Het begint op Funda en gaat door via aangevraagde brochures, waaruit we dan een selectie maakten op basis van hoe aardig huis en tuin op de foto’s leken te staan. En dan erheen, om te ervaren dat die ene prachtige tuin om een huisje ligt dat op de foto keurig aan ’t formaat leek maar in ’t echt kennelijk een kabouterechtpaar had gehuisvest. Dat het pittoreske witte boerderijtje een vloer had, zo schuin dat je er met gemak vanaf kon skiën, de volgende tuin geasfalteerd bleek te zijn, het aangekondigde gastenverblijf een kippenhok was en weer een ander huis van nok tot kelder als vuilnisbelt werd gebruikt of in feite helemaal klaar was voor de sloop.
En dan is er nog de keuze van de plaatsnaam. Klazienaveen sprak minder aan, maar Zwartemeer leek ons mysterieus en vol van geschiedenis; Garreweer of Oosterwijtwerd vielen ook af en toen werd het Valthermond. Een prachtige naam, het leek wel iets uit Harry Potter. Toen ik die bewuste dag het Noorderdiep op reed, werd ik ademloos stil. Het huis, hoewel er veel verbouwd zou moeten worden, voelde als thuis. De tuin was een park in mijn ogen, die gewend waren aan het zakdoekje in Enkhuizen. Op het achterveld was zelfs een paard gesitueerd. Ik wist het meteen. En echtgenoot Ton wist het diezelfde avond ook.
Toen we wegreden over het lange Noorderdiep naar het einde, of het begin, keek ik tussen de bomen over de velden naar de bossen in de verte en de wijde weidse lucht. Naar de mooie huizen en de prachtig aangelegde voortuinen. Het was een soort ontroering, en ik kon me haast niet voorstellen dat ik hier zou mogen wonen. Dat het echt waar zou kunnen zijn.
Vanaf nu schrijf ik elke maand een column in onze dorpskrant. Over wat mij als gemengd westers meisje nou zo opvalt, verbaast en verrast hier in Valthermond.