![]() |
Toen na 1900 steeds meer inwoners van de veenkolonie Valthermond, na vergraving van het veenmoeras, hun woning kregen, met daarbij behorend een grote tuin, op de toegemaakte grond langs de beide diepen op de vooraffen, begon de verbouw van aardappelen, groenten en fruit alle aandacht te krijgen. De dagelijkse maaltijden werden daardoor dan ook veel gevarieerder en smakelijker. Ook het bewaren van de verbouwde producten voor de winterperiode en het voorjaar kreeg daarop de volledige aandacht en zorg.
Drogen, roken en inmaken
Het conserveren van groenten, fruit en vlees geschiedde op verschillende manieren. In het begin van de afgelopen eeuw waren hier de meest toegepaste conserveringsmethoden: drogen (graan, peulvruchten), roken en zouten (vlees en vis) en inmaken in grote Keulse potten (kool en bonen). Bij inmaken ging het dan hoofdzakelijk om witte kool (‘boeskool’ in de streektaal) en pronkebonen, die na conservering respectievelijk als zuurkool en snijbonen op tafel werden gezet.
Hoe ging nu het inzetten van de kool en de bonen in zijn werk? Men sneed of raspte de kool en de bonen en spoelde de groente goed schoon. Daarna deed men de groenten – steeds in laagjes – in een vooraf goed gereinigde Keulse pot. Hier overheen ging dan een handvol zout en daarop kwam de volgende laag groente. Met een lege fles werd alles steeds goed aangestampt. Door het stampen kwam voldoende vocht vrij, zodat de groente onder zijn eigen sappen kwam te staan. Het in lagen vullen ging net zo lang door totdat de pot vol was. Die werd daarna afgedekt met een schone doek met daarop een rond plankje dat precies in de opening van de Keulse pot paste. Daarop kwam dan een flinke vlint (veldkei) voor de nodige druk te liggen. Nu kon de pot in de kelder worden weggezet. De ingemaakte groeten begon daar in de daarop volgende weken te gisten en te verzuren. Dat proces duurde zo’n zes tot tien weken.
Tijdens deze periode moest de Keulse pot wekelijks worden gereinigd. Door het verzuringproces vond er namelijk schimmelvorming plaats, die zich als een wit vlies boven op de groente afzette. De afsluitdoek werd dan ook wekelijks vervangen en grondig uitgekookt. Ook werden de plank en de flint grondig met heet sodawater schoongemaakt. Het was gebruik de in de herfst ingemaakte groenten na de jaarwisseling uit de Keulse potten in de maaltijden te gebruiken. Bij velen was het gewoonte om op nieuwjaarsdag stamppot met snijbonen te eten
Wecken
In het begin van 1900 kwam ook het wecken geleidelijk in zwang, het eerst bij boeren. De grote doorbraak van deze methode kwam hier in de veenkoloniën in de jaren twintig van de twintigste eeuw. De naam ‘wecken’ is in feite een merknaam; die ontstond toen de Duitse fabrikant J. Weck glazen potten ontwikkelde, met glazen deksels die met een gummi ring konden worden afgesloten. Bij deze methode werden de groenten of het vlees gesteriliseerd en verduurzaamd door ze te koken en vervolgens van de lucht af te sluiten. De gevulde glazen potten werden tijdens het sterilisatieproces van een beugel voorzien, om de glazen deksels goed op de gummi ringen aan te drukken. Vervolgens werden ze in een grote ketel (vaak de wasketel) op de kookkachel gesteriliseerd. Later, na de Tweede Wereldoorlog, gebeurde dat op een driepoot, die boven het gas (eerst butagas in flessen en nog later, in de jaren zestig, aardgas) werd geplaatst.
Na het weckproces werden de potten grondig geïnspecteerd of het deksel ook werkelijk goed afsloot en dus niet van de gummi ring losliet. Ook als de weckpotten later in de kelderkast waren opgeslagen, hield men ze goed in het oog, want bij niet goed afsluiten zou al spoedig bederf optreden. Een niet goed afgesloten weckpot (ook wel weckfles genoemd) groente of vlees kon dan nog wel voor de dagelijkse maaltijd worden gebruikt.
De eer van deze conserveringsmethode gaat naar de Fransman N. Appert, die al rond 1800 deze techniek wist toe te passen. Maar de ‘doorstoot’ van de toepassing kon plaatsvinden nadat de geschikte flessen hiervoor beschikbaar waren gekomen.
Drogen
Uiteraard werden ook veel groenten gedroogd, zodat ze lang houdbaar waren. Zoals onder meer de ‘hardschillenbonen’; dat zijn bonen waarvan de schil of dop niet eetbaar is, zoals onder meer van de bruine en de witte bonen (bonen met een eetbare schil worden ‘weekschillenbonen’ genoemd. Als de hardschillenbonen rijp waren, werden ze opgetrokken en veelal op een ruiter gedroogd. Na droging werden de bonen met een vlegel gedorst en in de wanne geschoond. Daarna werden ze in grote, open bussen droog en donker op zolder bewaard. Hetzelfde gebeurde met peulvruchten als de grauwe en de groene erwten. Slabonen werden geel van de stam gehaald, in banden geregen en meestal aan de zoldering gedroogd. Die werden ’s winters als ‘droge bonen’, meestal met een ‘bink’ (het kniestuk van een varken), met aardappelen in één grote pan gekookt en daarna gegeten.
Een gedeelte van de wintervoorraad aardappelen, koolraap, rode bieten en wortelen werd in de kelderruimte bewaard. De rest van die voedselproducten bevond zich, goed toegedekt met stro en loof, ingekuild in de tuin. Rode kool bleef bij winterdag lange tijd goed als hij droog aan de stronk in de donkere schuur werd weggehangen.
Kersen op brandewijn
Ook de vruchten uit de fruithof werden zodanig behandeld dat ze lange tijd houdbaar waren. Peren werden geweckt en van aalbessen en kruisbessen werd jam gemaakt. Om bederf van de jam te voorkomen, kwam er op de jam een laagje vet.
Velen maakten hun eigen kersenwijn en verder werden er ook kersen op brandewijn gezet. Zoete appels werden gedroogd, vervolgens niet geschild in vieren gedeeld en het klokhuis verwijderd. Daarna werden de stukken appels als droge bonen aaneengeregen en in de zon of ook aan de zoldering gedroogd. Van de gedroogde appeltjes maakte men een stamppot, die ‘hete bliksem’ werd genoemd.
Het zal duidelijk zijn: een tuin gaf handen vol werk, maar je kreeg er veel voor terug. Aardappelen en groenten voor een heel jaar konden worden verbouwd, zodat er dagelijks een goede, voedzame maaltijd op tafel kon worden gezet. Door veranderende inzichten, gebruiken en (financiële) mogelijkheden is de moestuin vanaf het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw in zo’n 25 jaar vrijwel geheel uitgebannen. Tegenwoordig behoren mensen in de Valthermond met een grote moestuin tot de witte raven onder de bevolking…