sauer
Zuurland
door Mirella A. Satoor de Rootas

Deze zomer was het tijd voor een verandering; we kozen voor vakantie in eigen en in buurland. Immers voor ons, met het groene park om het huis en ervoor de nooit vervelende weidsheid, voelt elke dag als vakantie en is er geen echte noodzaak meer om het ver weg te halen. Geen twintig uren in een vliegtuig dus, maar slechts een paar uurtjes rijden. Eerst met z’n tweetjes naar een Waddeneiland en dan met mijn ouders naar Sauerland. Nog nooit geweest en zo dichtbij leek dat eens heel wat anders. Tot ik bij de kapper zat voor een pre-vakantie-opknapbeurt, want je wil toch op je paasbest, nietwaar. De dame in de stoel naast me, het haar in prachtige verflagen van het vurigste rood, besprak haar plannen met het spiegelbeeld van haar kapster. ‘Ach ja, er zijn er meer van hier die dat doen en wij doen het al jaren, want het bevalt zo goed,’ zei de dame terwijl het haar in vochtige vlammen om haar hoofd piekte, ‘dus nu gaan we naar Vlieland en daarna het Sauerland.’ Ik keek mezelf beteuterd aan in de spiegel, want dat gingen wij dus ook doen: eerst Vlie en dan Sauer. Het klonk ineens een stuk minder origineel, maar het leek ook een sprong voorwaarts naar integratie in het dorp, want wellicht is dat wat Valthermondjers wel vaker doen in de vakantie: naar de Wadden en naar het Sauerland.

 

Heerlijk ingeburgerd dus gingen we, na Vlieland, op weg naar Sauerland. Vreemde naam eigenlijk, dacht ik nog bij het aanschouwen van de zoetrollende groene heuvels en lage bergen, de uitgestrekte bossen en pittoreske dorpjes in grijze leisteen en wit vakwerk. En toen dompelden wij ons helemaal onder in het dagelijks bestaan als toerist in deze streek. Lange dagtochten brachten ons langs mooie vergezichten over nog meer heuvels en nog meer dorpjes waar je die leuke huisjes ziet, maar verder dan ook niets. Geen mens op straat en het was toch zomer. Prachtig weer, maar niemand in de keurig verzorgde tuinen. Niemand die er loopt of fietst, volkomen uitgestorven. Het leken wel spookdorpen, stovend in de vroege zomerzon waarin geen enkel levend wezen zich lijkt te koesteren. Anders is het in de wat grotere plaatsjes, daar zag ik wel eens iemand. Een vakantieganger waarschijnlijk. Uit Valthermond.

 

En daar reden we dan vanaf het uitgebreide ontbijtbuffet via Kaffee mit Kuchen tot aan de namiddag door het mooie, maar verlaten Sauerland naar het volgende diner uit de Gutbürgerliche Küche van het zoveelste dorp. Wat een inspanning. Taarten als wagenwielen, lappen vlees in rijke romige sauzen en groenten onder bergen gesmolten kaas. ‘Ik neem een simpel soepje, want ik heb een beetje het zuur’, zei mijn moeder en daar kwam de soep, dik bedekt met room. Helaas. Aan het einde van de week hadden we allemaal het zuur, en niet zo’n beetje. En begrepen we eindelijk waarom het land zo heet.

Zo kwamen we terug in Valthermond, voldaan van al het mooie, maar verlangend naar een lichte zomersla en een bakje yoghurt, mager graag. Voorheen beschouwde ik vooral het Noorderdiep als een oase van rust waarin gelukzalig niets gebeurt, maar daar denk ik nu anders over, na die verlaten Duitse dorpjes. Al in die eerste rit na de vakantie zag ik toch zeker zes Valthermondse luitjes op de fiets, twee buren gezellig keuvelen en minstens drie personen het gras maaien van hun onmiskenbaar bewoonde huizen.

Wat een opluchting.