![]() |
door Jacob Westendorp
Toen de vervening van de Valthermarke aanving, in de jaren vijftig van de negentiende eeuw, stonden er her en der al enkele plaggenhutten in het nog woeste veenlandschap. Deze primitieve en schamele onderkomens werden veelal bewoond door mensen die buiten de maatschappij stonden, zoals stropers, zwervers, deserteurs en allerlei gespuis. Maar ook woonden er boekweitboertjes, imkers en veenarbeiders in dergelijke behuizingen.
Eenvoudige woningen
Nadat de ontsluiting van het veenmoeras op het Stadskanaal klaar was en de vervening goed op gang kwam, moesten dan ook vele arbeiders een woonstede in het nog vrijwel maagdelijke veengebied hebben. Veelal zorgden de verveners voor eenvoudige woningen op het bovenveen, of ‘op ’t hoge’, zoals men zei. Dat waren dan huisjes voor de vaste veenarbeiders en hun gezinnen en keten voor de seizoenarbeiders. Die woningen en verblijfplaatsen werden meestal op het vooraf tegen de Noorder- en de Zuiderdwarsplaatsen neergezet, het latere Valthermond. Op die manier waren ze daar het minst hinderlijk voor de vervening en konden ze tot het laatst van de vervening van de betreffende boerplaats blijven staan. Eveneens werden er woningen op de kop van de veenplaats gebouwd. Ook dat waren eenvoudige en lichte constructies met lage muren. Ze dienden als tijdelijke huisvesting en deden hooguit zo’n twintig jaar dienst.
Losse veenarbeiders, die met hun gezinnen de veenderijen bevolkten, bouwden meestal zelf hun woonsteden: plaggenhutten op het bovenveen. Grote aantallen van die hutten hebben er echter in het Valtherveengebied niet gestaan. Hoe werd nu zo’n plaggenhut gebouwd en welke materialen gebruikte men ervoor? Veel was er niet nodig om een dergelijke hut op het veen te bouwen. Met behulp van familieleden en kennissen stak men heizoden uit het veendek en stapelde deze op elkaar. Eén muur van hun toekomstig woonverblijf was al gauw klaar en enkele uren later waren ook de andere muren gereed.
De stookplaats
Men had twee veelal gebruikte ramen in de kopgevel en een oude deur in de zijgevel aangebracht. Die deur liep in het dak door in verband met de gering hoogte van de zijgevel. Van een paar berkenbomen werd de eenvoudige kap geconstrueerd, waarop de dakbedekking – opnieuw heidezoden – werd aangebracht. Alleen de stookplaats, de haardstede, werd gemetseld. Die bestond eerst uit een groot, vierkant gat in de grond, tegen de kopgevel gegraven. Aan de binnenkant van de hut werd daar dan een dikke ijzeren plaat overheen gelegd, terwijl in de overige ruimte naar de kopgevel toe het asgat (hier rogeldobbe genoemd) kwam. Tegen de kopgevel, tussen de beide ramen, stond vaak eveneens een ijzeren plaat die tegen een gemetseld muurtje was geplaatst. In het asgat kon dan vuur worden gemaakt. Boven de staande ijzeren plaat was in het muurtje een stang met een haak bevestigd, waaraan door middel van een ketting een pot of ketel boven het vuur kon worden gehangen. De plaat die voor het vuur lag, werd heerlijk warm en deed in de winter dienst als voetverwarming.
Meestal kwam in de hut op ongeveer een derde van de achtergevel nog een binnenwand, een planken schot van schaaldelen met een halfhoge deur. Zodoende bestond het bouwsel uit twee vertrekken, namelijk het woonvertrek en de schuurruimte. In de laatste ruimte werden, naast de gereedschappen, tevens de geit(en) gestald. In het woongedeelte van de plaggenhut kwamen aan de blinde muur de twee bedsteden, soms met een tussenkast die van gebruikt kisthout was vervaardigd. De vloer werd – indien beschikbaar – van afgedankte kruiplanken van de veenbaas gemaakt.
Karige inrichting
Het vloeroppervlak van een dergelijke plaggenhut bedroeg tussen de twintig en dertig vierkante meter, de hoogte van de lange zijden zo’n 120 tot 150 centimeter, de nokhoogte lag op ongeveer drie meter. Meestal werd bij de hut een los privaat, eveneens van plaggen gebouwd, met een eenvoudige deur, neergezet. En dan was de primitieve woning van de veenarbeider en zijn gezin gereed. Evenals het woonverblijf was ook de inrichting zeer karig en sober. Meestal stonden er niet meer dan vier tot zes stoelen en een tafel. Samen met een eenvoudige kast en kledingkist, in combinatie met een olielamp, vormden die het interieur. Om meer zitplaatsen in het woonvertrek te creëren, onder meer bij visite, werd een plank met de einden op twee voorlangs de bedsteden geplaatste stoelen gelegd. Voor de kleinste kinderen waren er wel een stoof of een oude emmer.
De hygiënische omstandigheden in zo’n hut waren – het kon ja niet anders! – uiterst bedroevend. Mens en dier leefden onder één dak, dat vaak ook nog tochtte en lekte. Toch, en dat mag verwonderlijk klinken, voelden de bewoners zich in een dergelijk woonverblijf niet ongelukkig. Men genoot van de vrijheid en van de natuur op het bovenveen. Men verkoos mede daarom het zware en primitieve leven op het bovenveen boven het leven in de dorpsgemeenschap, al kon men dikwijls ook niet anders. Maar de vrijheid en ongebondenheid waren deze mensen alles waard. Vaak werd zo’n hut na een aantal jaren verbeterd en vergroot. Het bouwsel kreeg dan een stenen kopgevel, dakpannen met strodokken en ook de vloer werd van stenen gemaakt. Als de ondergrond van hun woning door de vervening moest worden vergraven, trok men naar elders of betrok men een woning die ‘op het lage’ was gebouwd: de afgeveende grond.