![]() |
Daar stonden we dan in het lege huis dat ons die dag was overgedragen aan het begin van die prachtige zomer die in 2006 zo heel lang duurde. Met de jongste dochter over uit Breda; de oudste was voor studie diep in Afrika, te ver om een weekend over te komen voor het avontuur van een nieuw ouderlijk huis.
Het was wel erg leeg. Drie campingstoeltjes en een wrak tafeltje gaven nog niet echt het gevoel van een thuis, tot ineens de ruimte werd gevuld met prachtig licht in steeds veranderende kleuren: de zon ging onder in het panorama door de ruiten aan de voorkant. We stonden dicht bij elkaar, ademloos, en gingen buiten op het hekje zitten tot het echt donker werd. Toen waren we thuis.
Niet veel dagen later liep een jongmens het pad op en informeerde of we wellicht een klusje voor hem hadden. Zo gek was dat niet, want de oprit lag open vanwege de riolering, er zaten grote gaten in de muren en de hele benedenverdieping lag vol met puin van gesloopte wanden en plafonds. Wij zaten met de handen in het bestofte haar, want wat hadden we ons in vredesnaam op de hals gehaald? Dus gingen we gretig op het aanbod in en werd Bauke, zo noem ik hem even, voor enige tijd een vast lid van het klusteam.
Bauke was een geboren en getogen Valthermonder en bracht ons de eerste kennismaking met de kleurrijke taal van deze streek. Zo vertelde hij dat niet alleen de zichtbare puinhoop van onze verbouwing, maar ook de aanwezigheid van een mooi wichie een motiverende factor was geweest in zijn heitje voor een karweitje actie. We begrepen dat het om een meisje ging en wel onze inmiddels weer vertrokken dochter, die hij met ons op het hekje had zien zitten. En hij vroeg wat wij daar hadden zitten doen. ‘Naar de zonsondergang kijken’, zei ik.
Nadien zag hij ons elke avond buiten staan, want het is elke avond anders en het is altijd mooi. ‘Wat doe je daar nou toch weer?’vroeg Bauke na verloop van tijd en ik vertelde hoe ik genoot van het fenomenale uitzicht over het aardappelveld naar het dorp aan de overkant, de wolkenformaties aan de horizon en de schitterende kleuren van de stervende dag. ‘Dat zien wij niet meer,’ zei hij in sappig Valthermonds, ‘want dat is haast elke dag al jaren zo en dat zien wij niet meer, hoor!’ maar hij bleef even kijken, alsof hij het toch ineens weer zag.
Nu, tweeëneenhalf jaar later, kijk ik met nog diezelfde verwondering naar datzelfde vergezicht, in een steeds wisselend decor van weersomstandigheden en seizoenen en geloof ik nog steeds dat het geen dag hetzelfde is. En ik loop naar buiten en maak er foto’s van, waarvan ik er al honderden heb in een steeds dikker wordend boek: de bomen van het Noorderdiep als wachters voor het veld, de wolken en de lucht in alle kleuren, tot aan de horizon.