Dubbelklik hier om de afbeelding te veranderen
April 2009 Kievitseieren

door Jacob Westendorp

Kievitseieren

 

Wat mij tijdens een wandeling, afgelopen voorjaar, opviel in het nieuw aangelegde natuurgebiedje ten zuiden van de Valtherdijk was dat er al veel kieviten hier hun broedgebied hadden gevonden. Deze vogel was hier in dit gebied tot zo’n honderd jaar geleden een veel voorkomende en zeer welkome broedvogel in de madelanden rond de Mussel-A. Dat zult u, verder lezend, ontdekken.

 

Populairste ei

In de laatste decennia van de negentiende eeuw werd ook hier in het Valtherveenmoeras door veel mannen op het bovenveen nog het eieren zoeken beoefend. Dat gebeurde in het voorjaar, van eind maart tot 1 mei; wettelijk was het kievitseieren zoeken tot op de laatste dag van april toegestaan. Vooral de bewoners van Dikbroeken, de Mandestukken en Valtherveen – meest bovenveenbewoners nabij Valtherdijk en Mussel-A – hielden zich hiermee bezig. Hoewel men ook andere eieren dan het kievitsei zocht, was dat ei toch het populairste. Dat was zeker geen toeval. In de eerste plaats is deze weidevogel het vroegst met de balts en het leggen van eieren. Als zodanig werden de kieviten als eerste echte lenteherauten van de madelanden van de Mussel-A gezien. In de tweede plaats hield het kievitsvrouwtje bij verlies van eieren de leg verreweg het langste vol. En in de derde plaats was deze vogel altijd al de talrijkste van alle vogels die tot broeden kwamen op de door mensen bewerkte madelanden in het Valtherveengebied.

Maar voor de eierenzoeker telde toch het meest de handelswaarde van de kievitseieren. Het kon de armlastige veenarbeider een mooi extraatje opleveren na een lange winter zonder werk en inkomen. Vooral eind maart, begin april hadden nog veel arbeiders volop de tijd om naar deze eieren te gaan zoeken. Het veenarbeidseizoen begon veelal zo halverwege de maand april.

 

Kiewiet-o-wiet

Men zag begin maart dan ook reikhalzend uit naar de komst van de kievit. Zijn acrobatische toeren, zijn gonzende wiekslag en zijn vrolijke ‘Kiewiet-o-wiet’-geroep deed menig vogelaarshart sneller kloppen. Het laat zich goed indenken dat het zwerven door de al groenende en geurende voorjaarsweiden voor veel mannen een natuurlijke vorm van ontspanning is geweest. Ze waren langs de Mussel-A – al was die toen nog slechts een smalle, slingerende geul – druk bezig met het zoeken en vinden van een nest kievitseieren. En dat leverde bovendien een leuke verdienste op. Het speuren naar een nest in het veld was een spannende en verwachtingsvolle bezigheid. Men gaf ogen en oren goed de kost; het was scherp opletten hoe de vogels zich in het veld gedroegen. Rustig voortgaand en om zich heen spiedend, werd elke beweging van de kieviten waargenomen. Men lette daarbij vooral op de beweging van het mannetje en de stand die de vogel aannam. De vlucht van het vrouwtje liet zien of ze al dan niet eieren had en al dan niet van het nest kwam. Verder lette men scherp op het onrustige gedrag van zowel het mannetje als het vrouwtje en bovendien op het zanggeluid van beide vogels. Uit al die waarnemingen kon een ervaren vogelkenner afleiden of het vrouwtje al dan niet een broedsel had en waar het nest zich globaal in het veld bevond.

De plek van de nesten ten opzichte van het oorspronkelijke veenriviertje had ook zijn betekenis in de weerkunde, wat voor een buitenmens van groot belang was, Werden de nesten nabij de Mussel-A in het groenland gemaakt, dan voorspelde dat een droog voorjaar. Maar werden de nesten meer hogerop en op het bovenveen gemaakt, dan voorspelde dat een nat voorjaar.

 

Gelukzalig gevoel

Als de vogelaar meende dat hij een nestplaats had vastgesteld, dan ging hij met kloppend hart op de vastgestelde plek af en speurde daar voorzichtig rond om het onopvallende nest te ontdekken. En dan het vreemde, gelukzalige gevoel dat simpele nestje op te merken en de zuiver gevormde eieren te vinden. Een volledig broedsel bevat meestal vier, maar soms ook wel vijf of zes eieren. Voorzichtig nam de vogelaar nu de eieren uit het nest en deed ze in zijn pet. Dat was een prima bewaarplaats en men kon zo ook nog over sloten springen zonder dat de eieren braken.

Ja, deze bont gespikkelde eieren waren ware juweeltjes voor de eierenzoeker. Vooral de eerste eieren van het broedseizoen brachten veel geld op, mits ze niet bebroed waren. Rond 1890 leverde een vroeg kievitsei zo’n 20 tot 25 cent op, wat eind april was teruggelopen tot toch nog ongeveer 10 cent. Als een vogelaar een goede dag had en twintig tot dertig eieren vond – wat voor het Valtherveen een heel goede oogst was – betekende dat een paar gulden extra inkomsten. Waarom waren de eieren nu zo prijzig? Wel, in de betere hotels waren ze zeer gewild voor verwerking in de voorjaarsmenu’s. Ze hoorden bij een feestelijke maaltijd. Vooral met Pasen werden veel gerechten met kievitseieren geserveerd.

 

Bebroed of niet?

Zoals hiervoor al is verteld: de eieren moesten wel onbebroed zijn. Ze werden veelal, vooral later in het seizoen, eerst ‘gelouterd’, wat wil zeggen dat er werd onderzocht of ze niet bebroed waren. Hiervoor dompelde men een ei in de handpalm onder water. Kantelde het ei met de stompe kant naar boven zodra de hand dieper onder water werd gebracht, dan was het ei al niet helemaal goed meer. Bleef het ei echter drijven, dan was het al volledig bebroed en kon het absoluut niet meer worden verhandeld en gegeten. Zelfs waren er mannen die met de tong aan het ei konden voelen of het ei bebroed was; het bleef in dat geval dan enigszins aan de tong kleven.

De vogelaars brachten hun gevonden eieren naar een gemeenschappelijk inzamelpunt hier ter plaatse gebracht. Daar werden de eieren ingepakt in kleine kistjes, waarin als vulsel en bescherming van de kleinoden boekweitdoppen werden gedaan. Vandaar werden ze naar Musselkanaal gebracht, vanwaar ze met de snikke naar een opkoper in Groningen werden verzonden. De vinders van de kievitseieren in het Valtherveen aten de eieren zelf niet. Niet omdat ze geen kievitseitje lustten, maar het geld was te hard nodig om onder meer schulden te voldoen of noodzakelijke levensmiddelen of kleding te kopen.

Andere eieren, zoals onder meer die van de wilde eend, werden wel voor eigen consumptie geraapt. Toch is bekend dat zeker één van de eierenzoekers uit het Valtherveen, afkomstig van de Dikbroeken, na het raapseizoen – in verboden tijd dus – en zijn gezin kievitseieren aten. Dat gebeurde steevast op de eerste zaterdagavond in mei. De eieren werden zacht gekookt en daarna op roggebrood geserveerd, dat daartoe met boter was besmeerd (boter alleen al was een zeldzaamheid voor de arbeider.) Het was een traktatie waarnaar jaarlijks werd uitgezien.