staking
Maart 2009 Staking

door Jacob Westendorp

Al in het begin van de twintigste eeuw was turf als brandstof op zijn retour, als gevolg van de concurrentie van steenkool en – in mindere mate – olie. Deze brandstoffen waren niet alleen goedkoper, maar ook vele malen minder volumineus. De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) zorgde nog tijdelijk voor een korte opbloei in de turfindustrie, maar de jaren twintig stortten de Drentse venen in een zware crisis. Het gevolg was dat elk voorjaar de werkzaamheden in het veen voor lagere lonen werden aangeboden dan het voorgaande jaar.

 

Werkstakingen

Arbeidsonrust kon dan ook niet uitblijven. De situatie leidde tot werkstakingen, veenbranden en demonstraties tegen werkgevers en overheid. Marechaussee en politie moesten regelmatig groepen demonstranten die in hun verzet te ver gingen uit elkaar jagen. Wat de veenarbeiders vooral stak, was dat de regering wel subsidies verstrekte aan de kolenmijnen in Limburg, terwijl men de veenarbeiders in de kou liet staan. Wel konden kleine groepen werklozen via de werkverschaffing tijdelijk werken aan werkverruimingsprojecten in de provincie. In de jaren twintig werden zelfs arbeiders van hier door het arbeidsbureau voor tijdelijk werk naar Frankrijk gestuurd. In de werkverschaffing was de arbeider verplicht zijn eigen kruiwagen en spade mee te brengen. Dat was voor sommige veenarbeiders al een groot probleem, want een kruiwagen laten maken bij een stelmaker kostte al gauw zo’n twintig gulden.

De langste werkstaking in de verveningsgeschiedenis van de Valthermond vond in de jaren twintig van de twintigste eeuw plaats. Zij brak op 29 april 1929 uit en duurde meer dan tien weken, tot na de langste dag. Er werd in dat graaf- en baggerseizoen geen akkoord bereikt tussen arbeiders en werkgevers. De staking liep tot na de langste dag omdat toen het graaf- en baggerseizoen feitelijk voorbij was. In verband met het drogingproces van de turf was het graven en baggeren na de langste dag nogal risicovol, daar de droogtijd van de natte turven te kort werd. Was de turf voor de winter onvoldoende gedroogd, dan kon de turf stuk vriezen en was daardoor ongeschikt voor verkoop.

 

Erg laat

Door de strenge winter waren de werkzaamheden in het veen al erg laat op gang gekomen, zodat er bij de aanvang van de grote veenstaking nog vrijwel geen turf was vergraven. Zo waren er verveners die in het jaar 1929 vrijwel geen turf geproduceerd kregen. Zo’n vijftig locomobielen stonden tijdens het verveningseizoen werkeloos in het veld. De productie bedroeg nog geen kwart van wat in voorgaande jaren werd geproduceerd. Er was dan ook sprake van een totaal mislukte veencampagne. Toch hadden enkele verveners na de langste dag nog enkele weken gebaggeld. De arbeiders konden toen wel het geld krijgen dat men vóór de staking had geëist, namelijk een gulden per stobbe per man. De verveners waar nog werd gebaggeld waren E. van Klinken en L. Bosch. De arbeiders werden nog wel door de stakers onder druk gezet om het werk wederom neer te leggen, maar dat is niet gelukt, De financiële nood was zó groot dat men niet meer over te halen was. Al met al is 1929 een zeer slecht en moeilijk jaar geweest voor wat betreft werk en inkomen en dat gold zowel voor de verveners als voor de veenarbeiders.

In de winter van 1929 op 1930 kreeg de gemeente Odoorn vijftig extra arbeidsplaatsen in de werkverschaffing toegewezen. Stakers van de veenstaking werden – zo was door het Rijk bepaald – hiervan uitgesloten. Het Rijk wilde de stakers ook nog eens straffen, zodat ze zich een volgend jaar wel eerst zouden bedenken voordat ze weer gingen staken. Indirect koos het Rijk dus voor de werkgevers. Enkele maanden later heeft het Rijk, na vele protesten hieromtrent, deze bepaling weer ingetrokken.

 

Geen overeenstemming

In 1930 kwamen de verveners en de arbeidersorganisaties al in januari bij elkaar om het loonbod voor dat jaar te bespreken, maar wederom konden de partijen niet tot een akkoord komen. Aan het begin van het verveningseizoen (maart) was er nog steeds geen overeenstemming. De spanning tussen de verschillende partijen liep weer hoog op. Velen hadden er geen enkele behoefte aan – ook al vonden ze het loonbod ver onder de maat – om nogmaals in staking te gaan. De nood binnenshuis was te groot. Er moest geld binnenkomen, het water stond velen tot aan de lippen. De Nederlandse Landarbeiderbond, de bond waarbij de meeste veenarbeiders hier ter plaatse waren aangesloten, zag zich echter toch genoodzaakt weer een staking uit te roepen, om zo een akkoord te bereiken.

Op 24 maart brak dan weer een staking uit. Een paar honderd arbeiders stond die morgen om zes uur op werkappèl bij café Paas. Daarna trok men in groepen het veen in om de werkwilligen, meestal van de christelijke bond, over te halen om aan de staking mee te doen. De meesten gaven hieraan gehoor, zodat de staking weer algemeen was, evenals in het afgelopen jaar. Door tussenkomst van een Rijksbemiddelaar kon er ten slotte toch een akkoord worden gesloten. De staking kon zo na twee weken worden beëindigd. Op maandag 7 april gingen de arbeiders opgelucht weer aan het werk.

Voor het jaar 1930 werden geen nieuwe veenputten verkocht, maar werden de putten van 1929, die door de lange staking vrijwel geheel waren blijven zitten, verder verwerkt. Zodoende is in twee jaar de hoeveelheid turf van één seizoen geproduceerd. Er waren dan ook verveners die al drie tot vier weken vóór de langste dag hun veen hadden gebaggerd of vergraven.

 

Subsidie

Begin jaren dertig besloot de regering subsidie aan fabrieken te geven als ze weer zouden overgaan op het stoken van turf. Door deze maatregel van minister Kan werd de turf ongeveer een kwartje per kubieke meter duurder. De turf moest toen via het verkoopkantoor, dat daartoe in Assen was opgezet, worden verkocht. Deze ondersteuningsmaatregel had overigens maar een beperkt effect en de werkloosheid daalde maar weinig. Voor de turfindustrie was de brandstofproductie een aflopende zaak, want aan het einde van de jaren dertig was al meer dan negentig procent van het Valthermondse veen vergraven. En eind jaren vijftig is het laatste veen vanuit het Langhietsveen in de Valthermond vergraven.