door Jacob Westendorp
Ongetwijfeld zijn de marken van aanzienlijk en onmiskenbaar nut geweest voor de Drentse samenleving. Zij vormden als het ware een bolwerk van gemeenschappelijk bezit en onafhankelijkheid, over de gehele provincie verspreid. Van oudsher waren dergelijke gemeenschappen nagenoeg zelfvoorzienend. Het gemengde bedrijf en de natuurlijke hulpbronnen voorzagen de gemeenschap van vrijwel alles wat men nodig had. Het bos was een voorraadschuur van brandstof en bouwmateriaal, schapen leverden wol, vlas was de grondstof van linnen en bijen verzamelden honing en leverden was. Heideplaggen en schapenmest zorgden voor vruchtbaarheid van de essen waarop jaar in, jaar uit de rogge groeide.
Andere levensterreinen
Een plaatselijk bestuur, afgescheiden van of naast de marke, bestond oorspronkelijk niet. Bovendien heeft het naar voren treden van de collectiviteit in de agrarische productie ook op andere levensterreinen haar invloed gehad. De enkeling die buiten zijn boekje ging of zijn plichten niet nakwam, werd door de gemeenschap tot de orde geroepen. De maatschappelijke positie van het individu was uitermate kwetsbaar. Steeds was men aangewezen op hulp of steun van familie of buren. Men was wat zijn omgeving was, men voelde en handelde collectief. De dorpsgeest was oppermachtig. Er was een sterk communaal leven, vergelijkbaar met het kloosterleven. Man handhaafde binnen deze zo lang gesloten samenleving, met opoffering van persoonlijke voorkeur, die éne gezamenlijke taak: een goede behartiging van het boerenbelang. Dat was namelijk íeders belang.
Men vormde als het ware één familie, waarvan alle leden elkaar om beurten bijstonden in huiselijke omstandigheden, in arbeidsaangelegenheden en in sociale functies. Elke buurschap vormde zo een gesloten eenheid, een kring die zijn onderhorigen beschermde en alle anderen buitensloot. De door de markegenoten gekozen volmachten vormden in feite het dagelijks bestuur van de marke. Zij traden namens de gemeenschap op, zorgden voor uitvoering van besluiten en hadden het recht van executie. Op de begroting van een marke kwamen als inkomstenposten onder meer voor: de opbrengsten van de jaarlijkse houtverkoop, staangeld voor de bijenkorven en verhuur van het jachtveld. Later nog aangevuld met verhuur van veenmoeras ten behoeve van de boekweitteelt. De uitgaven bestonden in hoofdzaak uit de kosten van onderhoud van zandwegen en afwateringen. De markeorganisatie voorzag in alle behoeften van het buurschap. Verdere bestuursorganen waren niet nodig.
De boerrichter
Aan het hoofd van de markeorganisatie stond de boerrichter. Hij was de hoogste in de boerschap en werd door de gewaardeerden steeds voor één jaar gekozen. Het was een voorname functie. De boerrichter had het opzicht over alles wat voor de markegenoten maar van belang was. Hij had de controle over de waterlopen en de bruggen, het onderhoud van de wegen, over bouw- en graslanden, alsmede de woeste gronden. Hij hield er toezicht op dat niemand méér vee in de marke weidde dan waartoe hij volgens zijn aantal waardelen gerechtigd was; om de controle hierop gemakkelijker te maken, waren de boeren verplicht in het vroege voorjaar hun vee te doen inschrijven.
De boerrichter bepaalde de tijd van het wassen en scheren van schapen. Hij liet zeggen dat de varkens in de marke moesten worden geringd en hij riep met zijn boerhoorn de boeren bijeen als hij het nodig vond dat in de open ruimte onderhoud moest worden gepleegd. Hij bepaalde wanneer er met grasmaaien moest worden begonnen en wanneer de zeis in de rogge kon. Eveneens stelde de boerrichter boetes vast en riep op voor vergaderingen; de boerrichter was een man van groot aanzien. De notities werden gemaakt in de boerboeken en de reglementen en aktes betreffende de boerschap werden bewaar in de boerkist.
Valther marke
Sterk vereenvoudigd en met weglating van vele details is dit de geschiedenis van de Drentse marken. Zo’n marke was destijds ook de marke van Valthe, dat in vroeger tijden ‘Vaalt’ (omheinde ruimte) werd genoemd. Tot de woeste gronden van deze marke behoorde het Valther veenmoeras, een klein deel van het grote Bourtanger veenmoeras. Het gebied waar vanaf halverwege de negentiende eeuw geleidelijk door vervening het lintdorp Valthermond ontstond. De verdeling van dit veengebied vond vanaf 1833 plaats. Nadat de Valther markegenoten door middel van een convenant met de stad Groningen in 1817 zekerheid hadden gekregen dat hun venen, zodra het in aanleg zijnde Stadskanaal zo ver was gevorderd, konden worden ontsloten, konden ze zo tot exploitatie worden gebracht. De gronden in het Valtherveen werden – nadat ze waren uitgemeten en in kaart gebracht – bij loting onder de markegenoten verdeeld, in verhouding van het waardeel dat iedere gerechtigde in de marke bezat. De verdeling van deze woeste gronden was het eerste begin van de scheiding van de Valthermarke, die in 1873 zijn volledige beslag kreeg.